Vietnam or Thailand ? Vote for the TOP Country of the Week !

Bijgewerkt: 2 oktober 2025


"Zegt eens, gij," zeide hij, toen hij omkeek en de neerslachtige gezichten achter zich zag. "Zingt eens een liedje, jongens komaan!" Zijne slaven zagen elkander aan, het "komaan!" werd herhaald en tegelijk klapte de zweep, die Legree in de hand had. Tom begon een methodistisch lied: "Jeruzalem, mijn vaderland, Hoe dierbaar zijt ge mij!" "Houd op, zwarte kerel," bulderde Legree.

"Dat liedje heb ik ook dikwijls gezongen, toen ik nog jong was," zeide tante; "ik heb ook daar beneden gezeten in het jasmijnpriëel met Lisette en naar hartelust gezongen, en zij kon het zoo schoon maar gij wildet immers weten," viel zij zich zelve plotseling in de rede, "wáár ik hem voor het eerst gezien heb?

Zoo, om een uit duizend voorbeelden te nemen, in het volgende liedje, waarin eene Finsche vrouw hare smart over de scheiding van haren geliefde uitspreekt: O! beste vriend, hoort gij 't wel. O! hartelief, merkt gij 't wel! Als ik zingend om u klaag? Scheiden moeten wij van daag! Wachtend moet ik naar u uitzien Schriklijk ver trekt g'hier van daan!

Van tijd tot tijd laat zij haar klankvol liedje hooren, dat veel overeenkomst heeft met het gekweel van een jong Kanarievogel-mannetje, maar ervan verschilt, doordat het evenals het gezang van het Roodborstje met een mol eindigt.

Door verschillende kloven rijdt men tusschen wanden, die van 600 tot 1000 voet hoog zijn en nu en dan het licht haast buitensluiten. En na die kloven volgde barre zonneschijn; onze jeugdige mohammedaansche koetsier wierp de teugels over de paarden, draaide zich om op den bok, liet zijn beenen buiten boord hangen, stak een groote parasol op, rookte een sigaret en hief een liedje aan.

Al wat leeft wil jubileeren Om den kleinen blijden Mei. Waar hij glimlacht in den ronde Opent zich een nieuwe knop, Waar zijn bloote voetjes stonden Stijgt een bevend liedje op. Volgen wij ons kind en koning, Lichten in zijn lichtend spoor, Gasten in zijn wijde woning, Stemmen in zijn zingend koor!

Ach, nu herinner ik my op-eenmaal hoe ik zoo-even verdwaald ben geraakt in dat liedje, waarin ik 't "donker oog" van dien visschersknaap tot scheelwordens toe "rond-om laat dwalen" in één richting ... heel gek! Dat was een aaneenschakeling van denkbeelden.

Zij was vier jaar ouder dan hij en beschouwde hem zoowat alsof hij twintig jaar haar jongere was. "Mijn ouwste kind" noemde ze hem soms. 't Was lente, lieve, zachte, heerlijke lente... De heldere beekjes neurieden hun suizend liedje, het jonge groen sprong overal frischlevend uit, de oude ruige boomen van den boomgaard bloeiden.

»Verleden zag ik een herdersmeisje bij een heg staan, vrolik en aardig zag ze er uit, met een net keurslijfje en een linnen mutsje, wollen broek en een grof hemd... Ik ging op haar af: »Lief kind," zei ik, »ik vind het treurig dat je het zo koud hebt." »Heer," antwoordde zij, »Goddank ben ik goed gezond en het zal mij heus geen kwaad doen als de wind eens door mijn kleeren waait." Ik zeide dat ik haar graag gezelschap wou houden, en dat het toch jammer was dat zij daar zo alleen het vee zou moeten hoeden zonder een vriend in de wereld..." En zo gaat het gesprek verder. Hij vleit haar, zij moet zeker de dochter van een ridder zijn, een fee moest haar die schoonheid gegeven hebben, die niet bij een boerenmeisje past. Zij moest hem nu maar zijn zin geven gaat hij door zoo'n landmeisje is toch wel te temmen, alles in de natuur wil toch paren, en hier achter die haag kunnen ze toch doen wat ze willen zonder gezien te worden. Maar gelijk Else in de ballade, heeft zij een afwijzend preuts antwoord klaar voor de vleier en zijn opdringerigheid: »van een ridder als vader, daar weet zij niets van, soort zoekt soort, een boerenmeisje moet aan niemand dan aan boeren denken en zij heeft geen lust haar maagdom te geven voor de naam van een slet." Maar in andere gedichten komen er heel wat brutaler scenes voor. »God zij met u, herderin, schoon gelijk een roos; ik ben zeer verbaasd u nog alleen te vinden. Een kleed met zilveren zoom wil ik u geven." Maar zij antwoordde dat zij niets met hem te doen wil hebben; zij wijst naar haar vader die daar ginds het veld loopt te ploegen en wil daar heen gaan. Maar hij liep haar achterna, greep haar beet en wierp haar in het gras. Drie malen kuste hij haar en zij sprak geen woord tegen, en toen hij haar voor de vierde keer wilde kussen, zeide zij: »Heer, ik geef mij aan u over." De schelmse gratie van de dansliederen en het cynisme van de pochende riddersgaps") vinden wij ook beiden in de pastorale terug. In tedere liefdeverlangens loopt de herderin een zomermorgen rond en neuriet er een liedje over hoe benauwd het haar in haar borst wordt en hoe zij zich een vriend wenst, sedert Robin haar verlaten heeft. Zelf roept zij een ridder aan die voorbij komt en toont zich meer dan gewillig. Maar dikwels is de herderin ook »trop sage de garder son pucelage" en houdt de al te vriendelike ridder voor den gek en op een afstand, of weet hem een pak slaag te bezorgen door een paar boerenjongens. Daarentegen scheurt de ridder bij andere gelegenheden haar brutaal de kleeren van het lijf of weet haar met leugenachtige beloften te paaien. En wanneer het dan gebeurd is, zoo eindigt hij triomfantelik het gedicht: »lors me montai, si m'en alai,

Haar vader verliet voòr lang het dorp, toen ze nog een klein kind was. Hij was een hoefsmid, verliet het land toen zijn vrouw stierf en werd in het Fransche leger officier. Hij zoekt haar nu over de heele streek. Hij hoort het liedje dat zij zingt en herkent haar. Zij vergezelt hem, gelukkig, naar het buitenland. De knaap komt op het hooge plekje peinzen.

Woord Van De Dag

aandoening

Anderen Op Zoek