Het mannetje zat er niet overlangs, maar overdwars op; zijn smal lichaam zou anders niet voldoende geweest zijn om de eieren, welker spitsen men naar buiten zag steken, te bedekken. IJverig bleef hij in dezelfde houding broeden tot aan den 25en April; toen hij eindelijk uitgeput het nest verliet, waren de eieren bedorven.

Zij liet het hoofd zinken en blikte met haar vochtige oogen neer op de kleine, magere en van aandoening bevende Dolly in haar uitgestukte nachtjapon en muts. "Slechts deze beide wezens heb ik lief, maar het eene sluit het andere uit. Ik kan ze niet met elkander vereenigen en dat toch is voor mij noodig. Kan dat niet zijn, dan is mij alles onverschillig, geheel, geheel onverschillig.

's Ogtends ontwaakte ik vry wel, maar ik was toch bezwaart, om dat ik onder zo vele stichting my door het schepzeltje had laten vangen. Bregt was ook ziek, zei ze. 't Was laat, toen wy opstonden; zy was stom dronken geweest. Daar ga ik in myn binnenkamer, en zie myn Geldkoffertje niet, daar het plagt te staan: "Bregtje, riep ik, heb jy 't Kistje verzet?"

't Was iemand, die den straatjongen naderde, en die iemand was geen ander dan Montparnasse, die hoewel vermomd, en met een blauwen bril op, toch door Gavroche herkend werd. "Verduiveld!" riep Gavroche, "ge ziet er met uw bruine plunje en uw blauwen bril uit als een dokter. Ge zijt knap, oude jongen." "Stil," zei Montparnasse, "niet zoo luid!"

En behoort dat zieleleven niet tot het gebied der geschiedenis?"

"Waarop?" begreep de vagebond niet "wel op de privaat, netuurlijk; want 'k heb die knul meegenome.

Voorwaar, gij zijt te rechter tijd gekomen; ik had anders misschien welhaast moeten bedelen om niet van gebrek om te komen." Eene ontdekkingsreis van zes jaren was hem nog niet voldoende; hij wilde tot den einde volhouden, en niet terugkeeren, dan na zijn taak volkomen te hebben volvoerd. Veeleer scheen het of de geestdrift voor zijn werk met den dag klom.

Dat hij bij zijn vertrek, als gewoonlijk, zeer minzaam was geweest, maar aan de portierster gezegd had, dat men hem van nacht niet terug moest verwachten.

Zoo het geestelijker ware bij één huwelijk te blijven, dan ware het coelibaat nog geestelijker. Als God zegt: 't is niet goed, dat de mensch alleen zij, of: vermenigvuldigt u, dan geldt dit ook voor een weduwnaar enz. enz. Niet-kerkelijke schrijvers ontleenen hunne argumenten insgelijks aan het goddelijk en menschelijk recht.

Het terrein moet vlak en open zijn, en men moet te paard iedere plaats kunnen bereiken, zal men ook te rechter tijd bij den Windhond komen, zoodra deze een Haas gevangen heeft. Zulk een jacht levert een fraai schouwspel op. De Haas is zoo dom niet, als hij er uitziet, en speelt den onervaren Hond menige poets.