Toen ik op een bordje den naam van de straat Mouffetard las, kwamen tal van herinneringen bij mij op: Garofoli, Mattia, Riccardo, de knaap met zijn marmotjes, de zweep en Vitalis, mijn goede meester, die gestorven was, omdat hij mij niet verhuurd had aan den padrone in de straat Lourcine; ik meende zelfs bij den ingang van de naburige kerk in een knaap Mattia te herkennen: hij had hetzelfde groote hoofd, dezelfde starende oogen en sprekende trekken, kortom, zijn gansche voorkomen deed mij aan hem denken; maar zonderling, hij was in dien tusschentijd niet gegroeid.

Zielsvergenoegd, dat de eerste stap op zijne loopbaan als held hem zoo uitstekend gelukt was, zat hij op zijn strijdros, aan welks uitstekende heupschonken hij gevoeglijk al de stukken zijner rusting als aan een paar stevige kapstokken had kunnen ophangen.

Op eenige dagen tijds was Adriaan Damhout zichtbaar aan het beteren; maar zijne herstelling vorderde zeer langzaam. Inderdaad, de dokter had hem na den eersten dag nog tweemaal bloed afgetrokken. Daarbij had hij hem het gebruik van alle voedsel verboden.

"Met welk recht....?" riep Mom, driftig opspringende; doch zoodra hij in den nadertredenden grijsaard Vader Ambrosius herkende, trad hij ontzet achteruit. "Met uw verlof, oom!" zeide de Baron, terwijl hij wrevelig den brief uit den zak haalde, dien hem de Vicaris geschreven had: "vervat dit stuk papier uw toestemming niet?"

Ten laatste ontving hij een herinnering van den commandant, die hem op luider toon dan gewoonlijk vroeg, of hij nu van plan was om het bevel te aanvaarden, Zijn antwoord was: »Wel zeker, onmiddellijk," en toen stapte hij flink en krachtig het halfdek over en liet zich in zijne sloep af.

Krijn Jansz vervoegde zich terstond aan boord van des Graven schip. "Welnu!" zeide deze, zoodra de schipper voor hem in het paviljoen stond: "wat hebt gij ons te melden? Is het kasteel van Stavoren al onder het bedwang van onzen vriend Deodaat?" Krijn Jansz haalde de schouders op en verhaalde hetgeen den lezer bekend is nopens den ongelukkigen uitslag zijner onderneming.

De oude man hield op om op adem te komen, en ziende dat zijn metgezel zweeg en naar hem luisterde zonder hem aan te kijken, ging hij voort: "Ik bemoeide me op verzoek van uw vader met de verdediging; ik wendde me tot den beroemden Filippijnschen advokaat, den jongen A., maar deze weigerde zich met de zaak in te laten. 'Ik zou ze verliezen', zei hij mij.

Misschien zag hij hem nog wel bij den notaris. Van Saffelen scheen ernstig ziek te zijn, en zou 't zeker niet aardig vinden, indien Gliekke het dorp verliet zonder naar hem om te zien. Arme Flitz!

Doch wie het laatste niet zou kunnen doen zonder zich aan huichelarij te bezondigen, het eerste niet zonder zich in eigen oogen te verdierlijken, voor hem blijft alleen over zich het zwaard uit de wonde te rukken en geduldig af te wachten of de tijd haar cicatriseren wil.

Hij liet zich echter niet ontmoedigen, ja hij had zelfs de onbeschaamdheid, om haar op een goeden dag te willen dwingen zijn wenschen te bevredigen. Op strengen toon dreigde ze hem toen zijn vermetelheid door don Anastasio te zullen doen straffen. Dit maakte hem bang, hij beloofde niet meer van liefde te zullen spreken en, afgaande op die belofte, vergaf zij het gebeurde.