Het najagen van een idée en van een symbool, ging hij voort, vind ik ondergeschikt aan het scheppen van menschen die zelf ideeën en symbolen hebben. Het symbool moet geboren worden uit den mensch, en niet de mensch uit het symbool. Uit de innerlijkheid van de menschelijke natuur moeten voor mij idée en symbool doorbreken. Vandaar dat ik Shakespeare boven Goethe stel.

Zonder het woord tot mij te richten, gaf hij mij een wenk, om te gaan zitten naast de andere personen, wier verzoeken hij met een paar woorden afdeed, terwijl hij met eenzelfde gemak Engelsch als Spaansch sprak.

"Ja," antwoordde don Mathias, "het is mijn intendant. Elken keer als hij bij mij komt zegt hij mij dat ik van mijn kapitaal inteer ..." "Mijn waarde," antwoordde don Antonio, "ik verkeer in hetzelfde geval. Ik heb een zaakwaarnemer die al even slecht te spreken is als jou intendant.

Het stuk was er natuurlijk geheel op ingericht om aan het publiek mijne domheid te doen zien; in ieder tooneel moest ik de eene of andere onhandigheid begaan, terwijl Joli Coeur daarentegen telkens gelegenheid moest vinden om zijn verstand en slimheid aan den dag te leggen. Toen hij mij langen tijd had aangestaard nam de generaal mij uit medelijden in dienst en beval hij mij zijn tafel te dekken.

Het was de jettatore van Catania, dien men haar reeds als kind had leeren vreezen. Donna Micaela ging dadelijk naar hem toe. "Wilt ge even met mij gaan, signor," zei ze, terwijl zij hem voorging. Zij wilde zoo ver weggaan, dat niemand hen hooren kon, dan wilde zij hem verzoeken haar nooit meer onder de oogen te komen. Zij moest het doen, zij kon niet toelaten dat hij haar geheele leven verwoestte.

"Dat weet ik niet," zeide Lewin en stond op: "Indien u wist, welke smart u mij veroorzaakt! Het is, alsof iemand een kind is afgestorven en men hem dan zegt: 'Het had kunnen blijven leven, het had zoo en zoo kunnen worden en gij zoudt er uw vreugde aan beleefd hebben.... En toch is het dood, dood, dood."

Ik was zoo wijs nog met een aardig overschot te staken en toog opgeruimd naar mijn dames toe. Zij deden of ze mij niet zagen. Zij zaten alle drie met vuurroode gezichten, als krampachtig in een folterende studie verdiept. Zij keken starend naar het groene kleed en hielden hun handen beschuttend over wat ik vermoedde een hoopje geld te zijn, gedrukt. Nou? vroeg ik opgewekt.

"Ik heb van ochtend juist een briefje gekregen van den notaris, met verzoek om zoo spoedig mogelijk bij hem te Utrecht te komen, daar hij in de gelegenheid is, mij inlichtingen te geven omtrent den generaal von Zwenken en zijne kleindochter Francis Mordaunt." "Mordaunt! Heet zij Francis Mordaunt?" riep Verheyst, kennelijk onaangenaam verrast. "Ja! Hebt gij wat tegen den naam?

De bevelen van den chef der expeditie deden mij besluiten, mij onverwijld te voegen bij het detachement Bundy, en dadelijk begon ik het steile pad te beklimmen, dat door hem gevolgd was. Met mij ging een afdeeling dragers, die de vechtenden van water en levensmiddelen moest voorzien.

Het zal nu drie jaren geleden zijn; ik moet zuinig omgaan met jaren, want ik ben nog zoo jong; dat mijn neef Nurks mij op zaterdag den 14den Juli gij kunt den almanak nazien of het uitkomt weder een steen zond, die mij dan ook als zoodanig op het hart viel. Hij zou morgen, na ochtendkerktijd, bij mij komen, en 's avonds met den wagen van achten weer vertrekken.