Zij plantten het op het onmetelijk plein, zeggen we liever de vlakte van Sint-Isaäc, en vatten post achter het standbeeld van Peter den Grooten. Er waren een groot aantal niet-militaire saamgezworenen, tot de tanden gewapend, nog meer nieuwsgierigen en heel veel volk, maar die alle als verzonken in dit uittermate groote veld.

"Ja," antwoordde Bouke: "daar is nog een stuk van een neef van mij: maar ik zag hem liever de ribben smeren dan een belooning krijgen: 't is een van die klanten, die denken: ontgaat u de wal, hou u aan 't vlotgras. Ik heb een olden hekel aan hem, en op old ijs vriest het licht. Ware ik niet in Hongarije geweest met den Jonker, hij had Klaartje-nicht nooit getrouwd."

Soms was hij verontrust en beangst geworden; doch was hij nog niet in leven en dezelfde? en vijftien lange jaren een heel brokje eeuwigheid hadden de bezoeking in nut doen verkeeren.

Voor het oogenblik echter zijn de meeste negers nog rustig aan den arbeid op hunne hoeven en in hunne woningen, en bemoeien zich gelukkig niet met politiek; maar elk oogenblik kan een wachtwoord van Vicksburg of Jackson, Shreveport of Nieuw-Orleans hen, als een alarmkreet, in beweging brengen en het bewustzijn hunner noodlottige macht in hen wakker roepen.

"Ach Blanche, is het mogelijk, dat gij mij zoo hardvochtig behandelt? Is het dus niet genoeg, dat ik u moet denken in de armen van den connetabel maar gij wilt mij nog verbieden u te zien, de eenige troost welke mij overblijft?"

Vader en moeder Huiskamp hadden, volgens vaste gewoonte, den ochtenddienst in de kerk bijgewoond. Ze waren, ook volgens vaste gewoonte, zeer gesticht thuis gekomen. Zóó "getrouw" als vanmorgen had moeder het nog nooit gehoord! En vader antwoordde: "Dat zeg je naar waarheid!" Die nabetrachting was bijna ook vaste gewoonte geworden.

"Zeg eens," zeide de paardenkooper, hem aan zijnen elleboog stootende, "dat is een verschil in dominees, niet waar? "Vervloekt zij Kanaän" schijnt bij dezen niet af te doen, he?" Haley, blijkbaar zeer slecht op zijn gemak, bromde iets binnensmonds. "En dat is het ergste nog niet," hervatte John.

De drijver antwoordde op kouden toon, dat ik van een voorval sprak, dat hij in 't geheel niet kende en daar hij tot het einde toe volhield dat ik hem onbekend was, werd mijn bevrijding tot een volgenden keer uitgesteld. "Mijn beste jongen," zei de baljuw, "ge ziet wel dat de ezeldrijver uwe verklaring niet bevestigt; ik kan je dus, hoe graag ook, nog niet in vrijheid stellen."

Aan den ruiter, die om zijne buitengewone dapperheid vóór haar was geleid, had zij in de vreugde van haar hart een helm en pantser van zuiver goud geschonken. Doch nog vóór de feestmaaltijd begon, was zij gedwongen zichzelve te bekennen, dat dit alles toch het begin van het einde was, want enkele uren nadat zij dien ruiter zoo mild had beloond, was hij reeds tot den vijand overgeloopen.

Bevrijd mij, bid ik u uit dezen wreeden klem, en ik zal u misschien nog eens van dienst zijn. Maar neem een haar van mijn staart en als gij in nood verkeert, wrijf dat dan zacht!" De prins nam een haar uit den staart van den vos en liet hem vrij. Hij trok verder en zag een wolf in een klem. En de wolf smeekte hem met deze woorden: "Wees mijn broeder-in-God en verlos mij!