In de verte, boven hen, zagen zij de hut en den langen stok van den weêrhaan en zij gingen nu gemakkelijker voort; hunne voeten verzonken in de bloeiende erica, druipend paars en roze, in de boschbessen, wazig blauw als heele kleine druifjes. Eve bukte zich en plukte.

Zij vlijde zich dichter en dichter tegen zijne borst, haar hoofd op zijne schouder, en toen, met de stem van een kind: Kijk eens! sprak ze en ze toonde hem haar pols. Wat? vroeg hij. Dat litteeken ... Dat heb jij gedaan. Heb ik ...! Ja ... Je hadt me zóó aan mijn polsen beet ...

Maar, hij was nog geen drie weken op reis, of zij, ja zij, kreeg, buiten alle verwachting, een brief van hem, waarin hij haar vertelde dat hij in Brussel en Parijs was geweest en wat hij daar had gedaan. En hierbij maakte hij toespelingen op de reisverhalen, die hij haar zo lang geleden als kind had gedaan.

Er was daar zulk een rijkdom aan schitterende dingen, dat zij het zeer moeilijk vond, een keuze te doen.

Het "gezang" van een andere zingende Muis, dat door den onderwijzer Müller werd waargenomen, bestond "uit opeenvolgende, zachte, fluitende tonen, die in 't eene oogenblik langzaam, in 't andere sneller werden uitgebracht en in 't laatstgenoemde geval duidelijk herinnerden aan het gezang van een Vogel, met dit verschil, dat zij aanmerkelijk zwakker waren."

Zij waren gereeder van gedachten, dit beslissende gebaar niet te zullen maken, want men gevoelde reeds, zooals een van hen, de heer Van Houten, later erkende, dat voor hen het beste was de Roomsche Kerk en hare bondgenooten te bestrijden. »Men moest vóór alles«, zoo trachtte de heer De Louter te bewijzen, »zich vrijmaken van de clericale heerschappij, die werkelijkheid was, terwijl de socialistische heerschappij slechts een hersenschim is«. Voor het oogenblik bepaalden zij zich er toe hun eventueelen steun aan de Unie-liberalen en zelfs aan de Vrijzinnig-democraten toe te zeggen.

Zij gingen op haar kleine sofa zitten onder den onmisbaren palm; en Marcussen als een goede jachthond, die op 't spoor gebracht is, ging dadelijk meê, vergat al de smart van dien dag, was in spanning en bereid: zou er toch nog wat van komen met dit prachtige vrouwmensch, waar hij al zoo lang omheen had gedraaid?

Het was alsof zij de buiten was in persoon. Hij mocht tegenover haar staan, heel natuurlijk, zooals hij was tusschen de sleutelbloemen en het riet. Zij was openhartig lijk de wind, die zijn liederen over de Nethe rolt, en zij was goed gelijk de grond, die lisch en klaver geeft. Hij werd warm als hij haar aanzag en haar bijzijn brak zijn hart open.

Vroom prevelden zij hunne gebeden, plechtig klonken de koraalgezangen door de hooge ruimte en eene stemming van wijding heerschte onder de nedergeknielde menigte. Voor het hoogaltaar stond de grijze prelaat en hief de heilige hostie omhoog, met handen, die beefden van godsdienstige ontroering, terwijl hij met trillende stem God smeekte om een redder te zenden in den nood.

Dit liet hij niet na en het was voor deze hartstochtelijke minnares een groote bekoring te vernemen, dat zij dien avond het genot zou hebben mij te zien en te hooren. Weinig scheelde het echter, of een onaangenaam voorval had deze hoop vernietigd. Ik kon eerst laat heengaan en tot mijn straf was de avond erg donker.