In een periode die nu vrij-wel achter ons ligt, noemden de voorstanders van een bepaalde richting op staatkundig gebied zichzelven, met beminnelijke bescheidenheid, »het denkend deel der natie«; misschien hebben zij hunne zaak nooit grootere schade gedaan dan met deze onbenulligheid.

Daar stond hij en bestaarde den prachtigen, grooten bronzen deurklopper; maar toen hij nu met den laatsten de lucht met machtig geluid doordreunenden slag van de torenklok der Kruiskerk den deurklopper grijpen wilde, vertrok zich het metalen gezicht in een weerzinwekkend spel van blauwbrandende lichtblikken tot een grijnzend lachen. Ach, het was het appelenwijf van de zwarte Poort.

»Dankbaar voor de inlichting, beloof ik u er mijne winst mee te doen en ik zal niet rusten voor ik die zaak tot helderheid heb gebracht." »Nu, daar zult u wèl aan doen, dominé! want mijn man zou het er niet uit krijgen, daar ben ik zeker van; hij is veel te goed, en het zou mij zelfs verwonderen als het u gelukte.

Integendeel ben ik door hetgeen ik tot nu toe heb gedaan, tot een toestand gekomen, waarin ik nog weinig nog veel meer verrichten kan, en daarom laat mij weg gaan met God of verzin er een ander middel op. Toen de donna hem hoorde spreken, dien zij voor doofstom hield, was zij geheel verbluft en zeide: Wat is dat? Ik dacht dat je doofstom was?

Nu ging ik weer naar binnen. Ik behoefde niemand te wekken, want het feit dat ik was opgeklopt geworden, was een zeker teeken geweest, dat er iets bijzonders aan de hand was en men was dus reeds opgestaan. Twee minuten later waren wij allen gewapend en onderweg. Halef, Osko, Omar en ik.

Waar wilt gij eigenlijk heen?" "Naar het Huis de Werve!" "Naar de Werve!" herhaalde zij, en verledigde zich nu eerst van hare hoogte af te dalen en tot op den zoom van de sloot te naderen, van waar ik haar stond toe te spreken.

Na de druk begane wegen tusschen Fez en Mechinez, trok men nu weder door eene eenzame landstreek, doch de landschappen, die zich in de schoonste afwisseling aan het oog vertoonden, deden de eenzaamheid vergeten en vervroolijkten allen. Overal lagen dicht begroeide dalen, waar men onder de schaduw van het lage hout voorttrok.

Sommigen weigerden, en daaronder de koppige Katina. Nu had Orloff een kans. Wegens ontrouw aan den Czaar werd Katina tot vijftien knoetslagen veroordeeld. "Hebt ge ooit iemand zien knoeten? Neen? Wel, ik hoop dat 't u nooit gebeuren zal, want 't is geen prettig gezicht, zelfs voor wie zenuwen van ijzer heeft.

Gauw an de wal." "Jezus, wat ziet het schaap blauw!" Nu hebben ze ook Gerrit binnengehaald. Ze boomen het bootje naar den wal. De agent pakt de dooie handjes aan. De slagersknecht de dooie voetjes. "Laat 'm los! Op zij mense! Op zij mense! Op zij!" Een kleine open ruimte streept door de dringende menigte. De agent draagt het slijkerig, zwarte lichaampje op de armen.

Uitlachen is kwetsend, zelf lachen verstandig." "Nu, uitlachen is het woord, niet bepaald; belachelijk is Dorus in 't geheel niet, zóó mismaakt is hij niet." "Neen! hij is mooi... Zijn eene schouder is wel een handbreed hooger dan de andere; 't is een koning onder de bochels, hoor!" "Barbara, wat overdrijf je! Vind je het ook niet, Augusta?"