»Dat zal ik ook niet," hernam hij, zijne pijp neerleggende, en zijn kopje thee uitdrinkende, »ik zal eens een visite maken bij den ouden heer Duinstee, om te hooren of zijn zoon Bram er wat van weet, en dan eens naar Frits gaan, die is nogal slim en zal me mogelijk op het spoor helpen, die twee zijn volgens het getuigenis van Antje met Piet Snibs heengegaan."

Van de verknochtheid aan ons koninklijk huis gaf de Rijksbestierder opvallend blijk, door de vele bustes en portretten, geschilderde en gephotografeerde, van de Koningin, de Koningin-Moeder en den Prins. In de meeste kamers zag men de Koningin op de een of andere wijze vertegenwoordigd. Nu moet ik nog even wat vertellen, waarvoor ik vooraf verontschuldiging vraag.

Ik kan niet zeggen of het me onaangenaam of angstig aandeed, op die eenzame wandelingen te bemerken, dat de kleinere vogels volstrekt niet bang voor me leken, maar tot op een el afstands naar me toehupten, wormen en ander voedsel zoekende met evenveel gerustheid en onverschilligheid alsof er geen schepsel in hun nabijheid was.

Zij heeft mij volmondig erkend achting voor mij te koesteren;.... doch ik heb duidelijk meenen te ontdekken, dat haar hart niet meer vrij was." Hier bloosde Joan sterk, en de Baron sprong driftig op: "Wat! haar hart niet meer vrij?" riep hij met verbazing en ergernis uit: "waar haalt gij de zotheid vandaan, Ambtman? En ik zou daar niets van weten."

Dien bak vond hij veel mooier en geschikter. Hij sleepte hem naar buiten, bond zijn touwtje aan een der ooren, en daar viel plotseling zijne aandacht op een buitengewoon grooten hond, die doodbedaard vóór het huis op den weg lag, met zijn neus in de sneeuw.

"Het zal mij pleizier doen kennis met hem te maken," zeide Marks, eene lange, magere hand, gelijk een ravenklauw, uitstekende. "Mijnheer Haley, geloof ik?" "Dezelfde, Mijnheer," antwoordde Haley. "En nu, Heeren, nu wij elkander zoo gelukkig hebben ontmoet, dunkt mij, moest ik eens op een kleinigheid trakteeren.

Kom, zuster, ga met ons. Zeg thans, op wiens beklag hij werd gegijzeld. GERECHTSDIENAAR. Van Angelo, den goudsmid. Kent gij dien? ADRIANA. Ik ken hem wel. En hoeveel is hij schuldig? GERECHTSDIENAAR. Twee honderd stuks dukaten. ADRIANA. En waarvoor? GERECHTSDIENAAR. 't Is voor een ketting, aan uw man geleverd. ADRIANA. Hij heeft er een besteld, doch niet ontvangen.

Terwijl ik mij nog op het kantoor bevond, kwam mijn boodschap aan Helding mij in de gedachten.

Weer keek Thonarr naar het Oosten er kwam al blanke glans en de bleeke dwerg wachtte op verdere vragen. Toen sprak Thonarr: "Zeg mij nu nog, o, ik twijfel niet of ook dat zult gij mij zeggen met welken naam wordt in iedere wereld het bier genoemd?" "Bier," sprak Weetal, "zeggen de menschen, brouwsel de goden, Wanen: roes.

Hij richtte het hoofd op, nam eene stoute houding aan en bezag den rechter met vlammenden blik. "In de gevangenis? In het kot?" kreet hij. "Ik, Jan Verhelst? Ik, die mijn leven hebt gewaagd en een lid verloren uit opoffering? Ik, onschuldig? O, neen, neen, het is onmogelijk! In het kot, als een dief, als een moordenaar?