Ten slotte toen de zon al zeer laag stond, en de voorbijgangers zeer schaarsch werden, zei hij, dat wij beproeven moesten, de sporen der vooruitgezonden lastdieren in het zand langs de kust te vinden. Geheel in duister moesten wij nu weer afdalen naar de zee, en werkelijk konden wij dichtbij het water de lijnrecht voortloopende sporen der muildieren herkennen. Wij volgden die, zoo lang het ging.

't Was minder van de pijn aan haar neus, dan van iets anders, dat Santje de troan' ien de eugskes kreeg. Ze zei geen spier; ze raapte den halsdoek op, en kniepte een: "Beterschap Dorus!" uut de kêl: ging noar den iepeboom; zei tegen Kees: "Goaj' mee?" en soam goengen ze op den meulen oan. 't Wêgske was lang zoo mooi niet en onder den iep was 't geen oarig plekske meer.

"Dan zal ik van mijn zak een hoorn des overvloeds maken," zei Nel en schudde het lekkers zoo ver mogelijk naar voren, terwijl ze haar hand er als een presenteerblaadje onder hield. "Eerst mogen onze gasten kiezen. Die nemen natuurlijk beiden hetzelfde. Tweelingen kunnen "onmogelijk" anders." "Neen," zei Bob, "dat hoeft toch niet.

Toen zei zijn moeder: als je den bril en den grooten hoed bij elkaar legt, zeggen ze Ba. Dat kon hij niet leeren. Hij werd boos en sloeg haar, en zij liet hem met rust. "Uit jou wordt toch nooit iets anders dan een held," zei ze. In zijn jeugd was Falco lui en slecht.

»Laat me deruitzei Sikes, »praat niet tegen me. 't Is gevaarlijk. Laat me deruit!« »Laat me nog één woord zeggenzei Fagin, met zijn hand op het slot. »Je zal toch niet ?« »Nouvroeg de ander. »Je zal toch niet al te te driftig zijn, BillDe dag brak aan en het was licht genoeg, dat de beide mannen elkaar in 't gezicht konden zien.

"Zeker, zeker moest hij zich bedenken," zei zij. "Maar indien hij Diamante kende, dan zou hij dat niet noodig hebben. Nu woonden daar slechts boeren, maar eens leefden daar een bisschop en vele priesters en een groote menigte monniken. "Wel waren dezen nu weg, maar daarom niet vergeten. Want sedert dien tijd was Diamante een heilige stad.

De eerste malen, dat zoo, schuw en zonderling, Marie uit haar hoek schoot, had juffrouw Jonkers het lachen niet kunnen laten. "Ze mosten jou moeder van't Ouwe-mannenhuis maken," zei ze eens.... Maar met den tijd begon haar dat zorgend denken een welkome steun te worden; als twee wikkende en wegende huismoeders bespraken zij samen de moeielijkheden van den dag.

Z'n oogen waren niet van haar af. Z'n mond sprak, z'n lippen bewogen. 'n Ander zei de praat-dingetjes, de nevel-klankjes, de hakkelende woorden, 'n

"Erg gelukkig dat je juist uit dat gedeelte van Duitschland komt," zei Dr. Hearty, "dat is dadelijk hier in Engeland een goede aanbeveling, omdat Hannoversch Duitsch als zoo mooi bekend staat." Hedwig verheugde er zich ook over. Zij was in een bizonder opgewekte stemming, die nog verhoogd werd door de gunstige berichten, haar zooeven in een brief van haar moeder gezonden.

Dat kunststuk herhaalde hij zevenmaal, terwijl de jongen schreeuwde en Akka riep: "Wat doet u toch, Mijnheer Ermerik? Dat is geen kikker! Dat is een mensch, Mijnheer Ermerik!" Eindelijk zette de ooievaar toch den jongen volkomen ongedeerd neer. Toen zei hij tot Akka: "Ik vlieg nu naar 't huis Glimmingen terug, Moeder Akka. Allen, die daar wonen, waren heel angstig, toen ik heenging.