Wat zou er geschieden? Eerst heel ver, daarna dichtbij, hoorde hij een geluid, dat op het zwellen van den storm geleek. Daartusschen schuurde een ketting door de lucht, zoo duidelijk, als ware dit de eenige klank in den stillen avond. Gerard meende, dat het noodweer kwam opzetten, en hij keek naar den hemel.

"Heere," zei de herbergier, "het 'Hart Jesus' is van den muur gevallen. Geheel aan stukken...." "God bewaar ons, zuchtte de vrouw, dat beteekent ongeluk...." Het noodweer scheen nimmer te zullen eindigen. Eerst langzaam werd het allengskens minder en nam traagjes af. Jansen had somber neergezeten, zonder spreken. De regen hield nu op heftig neer te plassen. "Het is over," zei hij.

Anna was werktuigelijk opgestaan, en met de meisjes verdween de moeder in de keuken. "Geef ons een borrel," vroeg Willem. Het noodweer liet geen oogwenk af. "Wij zaten te bidden," zei Jansen. "Ik heb u niet binnen gelaten dat gij drinken zoudt. Bij zoo'n weer laat een kristelijk mensch zelfs geen hond op straat. Dáárom!" Er viel een slag dat de muren dreunend schenen te bewegen.

"Komaan kinderen, geen gekheid!" "Gaat allemaal maar weg; ik blijf hier," herhaalde Bunny, die geheel onhandelbaar geworden scheen door het onweer. "Och, wat moeten wij doen? Wat moeten wij doen?" riep Bridget wanhopig uit, zich met echt Iersche opgewondenheid de handen wringend. "O, hoort toch eens, wat een noodweer! Ach en daar is de banshee, de banshee, ach, ach!"

Wij bevinden ons tegenover hen in een toestand van noodweer. Dat is ontegenzeggelijk waar; maar wij kunnen hun aanslagen wel verijdelen, zonder hen te dooden. Maar dan zijn we niet van ze af, en zij blijven ons vervolgen. Als wij zoo goed oppassen als tot nu toe, kunnen zij ons niets doen. Moeten wij ons dan altijd plagen met de gedachte aan die schurken?

»Genoeg, Herman Rosemeijer ondernam de reis naar Engeland, maar reeds terstond had hij met rampspoed te kampen. Tegenwind en noodweer vertraagden den overtocht, en waar de moedige zeelieden ten laatste de stormen trotseerden, om eene veilige haven binnen te loopen, werd hun pogen verijdeld; zij leden schipbreuk op de rotsige kust. De passagiers redden slechts een deel van hun goed.

De arbeiders hadden stil samen zitten praten. "Nu kunnen de meisjes zich wel weer laten kijken" grinnikte de oudere der twee. "Zou Anneke ons geen borrel willen schenken?" verstoutte zich Willem Stoffels. "Waar is ze?" "Hoor hier," beet Jansen toe, getergd en grimmig "als het niet geweest was om 't noodweer van vandaag, dan had géén moordenaar hier zijn voet over den drempel gezet!

Met die beginselen voor oogen, kon Grotius de kwestie van het recht tot zelfverdediging en noodweer ten overstaan der overheid, zoowel wat afzonderlijke personen als wat het heele volk betreft, oplossen. Op de eerste plaats, wat de private personen betreft. Niemand heeft recht iets te gebieden in strijd met de natuurwet of het goddelijk recht. Voor de onderdanen zou zulk gebod geen gebod zijn.

Een klein schip zou het niet wagen, thans in dit noodweer binnen te komen. Immers, het zou als een notedop opgenomen en tegen de zware steenen te pletter geslagen worden! 't Schip nadert, ongetwijfeld bestuurd door bekwame handen. 't Bereikt den ingang tusschen de beschermende pieren. Opeens, o hemel, 't zwenkt, 't verandert van koers! Dreigt er gevaar, zelfs voor de reuzen onder de schepen?

In de bedding der Sint John ontstond, door de evenwichtsverbreking van de wateroppervlakte, een zoodanige golfslag, die alles dreigde te vernielen en waarvan de kracht nog door de zoogenaamde grondzeeën vertienvoudigd werd. De sloepen, welke voor de zandbank, maar aan de binnenzijde daarvan, voor anker lagen, werden door dat noodweer overvallen, alvorens zij de veilige haven konden bereiken.