Het spettert, uit de wolken, vier en vlamme; kwade steenen, van rammelenden hagelslag, en bliksem, al met eenen, vergâren mij de reuzen in hun vuisten vol geweld, en ruien ze, onbermhertiglijk daarheen, in 't zonneveld. 't Is donker nu, 't is donkerder, nog donkerder!

Wel is waar eene liefde, die niets had van de zottelijke teederheid waarmee ik andere jongelieden elkander zag omgeven en die niet dan mijn afkeer wekte, maar toch liefde, en die nu op eens tot een verboden, een schuldigen hartstocht werd misvormd; want het licht dat mij opging over den man dien ik liefhad was als een fakkel waardoor alles in mij tot vuur en vlam werd, vlamme van haat en verontwaardiging, die helaas den liefdegloed niet verteerde, maar te feller branden deed.

Wat hebben wij te vreezen? Indien al de weerbare mannen van Kerlingaland te velde komen, wie zou ons dwingen? Ontbreekt het ons aan geld, aan wapens of aan moed?... Ziehier mijn voorstel, gezellen. Dat dezen nacht en morgen overal, waar de beslissing van den Hoop bekend wordt, het noodvuur vlamme en de noodhoorns galmen!

Verklaarde mij den zin en eisch van dit mirakel, Op deze wijze: 't bosch, waarin deez' vlamme speelt, Daarmede is Israël naar 't leven afgebeeld, Die in 't vervolgingsvuur zal als dit bosch ontluiken; Ik wil mijn lelie schoon nu uit de doornen pluiken . Toen dreunde 't heele bosch, ik stond geheel bedut , Driemalen heeft de berg zich bevende verschud: En als ik niet en wist waar henen te vervluchten, Met een borstkloppig hart, en met een zwaar verzuchten, En schier van vreeze lag begraven in het gras, Toen gaf de Heere mij te kennen wie hij was: De God JEHOVA zelf, de God van onzen vader, De Schepper van het al, alleen des levens ader, De Herder Israëls, die in 't beloofde land Ons nu vervoeren wil uit Faraonis hand, Uit al onz' slavernij.

Ze ontstak en vulde de stoof met de kapperlingen en de vlamme spokkerde dat 't ijzer al gauw rood stond en 't ronkte door de versleten stoofbuis. De jongens kropen er rond, wreven de handen en monkelden door hunne tranen. Er was plots als een ophemmende beternis, de warme lucht in huis bracht nieuwen levenslust en ze genoten er van in stilte. Al de oogen draaiden mede waar moeder ging.

En geen van beiden zeiden zij, dat zij zagen, hoe kaarsen schenen, bleek van vlamme, mede te zweven om het lijk heen van Mordret: zes dunne wastoortsen en hoe er, héél licht van geluid, gezongen mede met hen werd, alsof onzichtbare handen de lichten beurden, alsof onzichtbare kelen mede baden de gebeden voor de dooden.

In den jaare 4 is Diokarus Seegen, neef van Azinga, Ridder geslagen van Brabo, eerste Hertog van Braband, en met groote eere weder in Friesland gekomen. Ook is by 't Roode Klif, niet verre van Staveren, een vlamme uit de aarde geborsten, welke 3 dagen duurde.

De damp pruttelde in den ketel en de druppels koeisop zeeverden langs den zwarten balg sissend in de vlamme. En Verlinde plots uit zijne gedachten schietend, besloot er een eind aan te maken: Ja, morgen vroeg met de zon aan 't hooi. Als de dauw is opgedroogd kunt ge ook de lammersteert afmaaien. 't Heeft vandage fel gedroogd, meende de knecht, 't zal gauw veraarzeld zijn, 't weer is vast.

Eens uit zijne goelijke lijdzaamheid opgewekt, zou hij heftig zijn en onbuigzaam tevens. Frits was prikkelbaar en licht gekwetst, eene verklaring tusschen die twee kon leiden tot strijd, tot verwijdering, tot eene onheelbare breuke en liever dan iets te doen om tusschen die twee geliefden eene vlamme des toorns aan te blazen, leed Claudine in stilte, leed zij alleen!

De groote vent, hij stond alleen en zwart en pookte in de hoop tot de klare vlamme uitsloeg, die hij dan toedekte met versche groenigheid om veel rook te maken. Heel de streek geurde er van en verre hoorden zij de gebuurs den nieuwen laai begroeten met blij getier.