Vietnam or Thailand ? Vote for the TOP Country of the Week !
Bijgewerkt: 29 oktober 2025
Wat antwoordt Andronicus op dit voorstel? TITUS. Marcus, mijn broeder! de arme Titus roept. Ga, lieve Marcus, naar uw neef, naar Lucius; Vraag bij de Gothen, waar hij is, en zeg hem, Dat ik hem spoedig bij mij wensch te zien, Verzeld van enk'len der voornaamste Gothen; Hij leeg're zijne krijgers waar zij zijn. Meld, dat de keizer, met de keizerin, Eet in mijn huis, en hij met hen moet spijzen.
Rein, Andronicus, blijve uw graf van bloed; Wilt gij in aard den goden nader komen, Zoo kom hun nader in barmhartigheid; Want deernis is des adels echtste merk; Hoogeed'le Titus, spaar mijn eerstgeboor'ne! TITUS. Word kalm, vorstin, en schenk mij uw vergiff'nis.
TITUS. Spreek gij niet meer; dit kan al de and'ren helpen. MARCUS. Titus, gij meer dan mijner ziele helft, LUCIUS. Mijn vader, gij, ons aller ziel en wezen, MARCUS. O, gun uw broeder Marcus, dat hij hier In 't nest der deugd zijn eed'len neef begraav', Die eervol voor Lavinia is gevallen.
In den tempel van Ptah werden dus aan den Apis-stier groote eerbewijzen gebracht en de Pharaohs gaven uit hun rijkdom op verkwistende wijze bijdragen voor dezen eeredienst en vreemdelingen, o.w. Alexander de Groote en Titus, begiftigden hem met geschenken.
Wat al ontroering, dien volgenden morgen, dadelijk op straat, voor het huis van voller en slavenkoopman, toen de caterva, mèt Cecilius en Cecilianus dit maal, hun woning verliet, allen te zamen, om te baden in de Thermen van Titus, om iets te eten, om daarna te repeteeren. Ten eerste de ontroering, die ging door de straten, omdat er die nacht een moord was gebeurd in de Carinæ en een inbraak; meer bizonderheden ontbraken nog: de misdadigers waren gevat, zei de een; zij waren ontvlucht, beweerde de ander. Dan de ontroering in de caterva zelve, dat de Bacchides toch zouden worden opgevoerd.... Misschien de Bacchides èn de Menæchmi beiden, had de dominus met gezag verklaard, terwijl de slavenkoopman, Autronius, dit maal een troep van twaalf buitenlandsche slaven en slavinnen, meest Daciërs, ter markt zoû geleiden en de voller in den blanken weêrschijn van zijn uitgehangene toga's op den drempel van zijn winkel verscheen om Lavinius Gabinius te begroeten. Intusschen trok de "paraziet" den dominus ter zijde, en tusschen de bolderende karren vol marmerblokken, door muilen getrokken, onder een geklikklak van zweepen der karrevoerders, poogde de "paraziet" zijn dominus fijntjes te bepraten.... Zoû het toch werkelijk niet beter zijn, meende de "paraziet",
Titus stierf in het jaar 81, naar men zegt tengevolge van vergif, hem toegediend door zijn wreeden broeder #Domitianus#. Toen Augustus keizer van 't Romeinsche rijk was, werd in de kleine stad Bethlehem in Judea Jezus Christus, de stichter van den Christelijken godsdienst, geboren.
Zijn die 25 jaar letterlijk op te vatten, dan is Titus Andronicus van het jaar 1589, misschien nog enkele jaren vroeger. Dat hij het handschrift niet van Stratford heeft medegebracht, maar dat het stuk geschreven is, nadat Sh. met de tooneelwereld bekend was geworden, is buiten allen twijfel.
In de' angst wierp ik mijn boeken weg, en vlood, Recht dwaas misschien. Vergeef mij, lieve moei; 'k Beloof u, zoo oom Marcus met mij gaat, Ben ik geheel en gaarne tot uw dienst. MARCUS. Goed, Lucius, 'k wil wel. TITUS. Hoe is 't, Lavinia? Marcus, spreek, wat wil zij? Er moet een boek zijn, dat zij wenscht te zien. Is 't een van deze, kind? Doe ze open, knaap.
Hoeveel aanmerkingen op het eerste bedrijf ook te maken zijn, men moet erkennen, dat de uiteenzetting van den toestand niets in duidelijkheid en volledigheid te wenschen overlaat, en tevens dat Titus een tragische schuld op zich laadt, die zijn ondergang ten gevolge hebben moet.
Wie dan, die zijn begeerte ter zijde stelt en met reden beschouwt, zal uw besluiten meer prijzen dan dat van Gisippos? Zeker niemand. Sophronia is dus goed gehuwd met Titus Quintius Fulvius, een edel, oud en rijk burger van Rome en vriend van Gisippos; daarom, zoo gij er over treurt of klaagt, doet gij niet, wat gij doen moet, en weet gij niet, wat gij doet.
Woord Van De Dag
Anderen Op Zoek