Vietnam or Thailand ? Vote for the TOP Country of the Week !
Bijgewerkt: 29 oktober 2025
Reeds hieruit zou kunnen blijken, dat de Titus Andronicus zijn eersteling was, doch men wordt hier nader van overtuigd, als men opmerkt, dat de dichter in den loop van het stuk vorderingen maakt, en dat het eerste bedrijf verreweg het zwakste van alle is.
Klopt aan zijn boekvertrek; daar toeft hij, zegt men, En broedt op plannen, vreemd en woest, van wraak; Zegt hem, de Wraak kwam hier, om saâm met hem Verderf op al zijn haters uit te storten. TITUS. Wie stoort mij in mijn overdenking?
TITUS. Ik weet niet, Marcus, maar ik weet, zij is 't, Door list of hoe, dit moog' de hemel weten. Moet zij den man niet dankbaar zijn, die haar Zoo verre bracht naar hier tot zulk een heil? Ja, en zij zal wis vorst'lijk hem beloonen. SATURNINUS. Zoo, Bassianus, hebt ge uw prijs erlangd; God geve u vreugd, man, met uw eed'le bruid. BASSIANUS. En u met de uwe, vorst!
Titus gaf Gisippos de hand en laakte hem zeer over zijn verlegenheid en zijn wantrouwen, betuigde hem groote vreugde en leidde hem naar huis, waar Sophronia met tranen van ontroering hem als een broeder ontving.
Is dit Een kunstgreep om mijn deur mij te doen oop'nen, Opdat mijn wraakbesluiten zoo vervliegen, En al mijn peinzen zonder werking blijv'? Gij dwaalt, want wat ik voorgenomen heb, Zie hier, ik schreef het neer met bloedig schrift; En wat ik schreef, zal worden uitgevoerd. TAMORA. Titus, om u te spreken kwam ik hier.
TITUS. Neen, dwaas tribuun; neen, hij was niet van mij, Noch gij, noch dezen, tot een daad verbonden, Waar ons geheel geslacht door is onteerd; Onwaardig broeder, en onwaardig kroost! LUCIUS. Doch laat ons hem begraven zooals past Zij bij zijn broeders Mucius nu begraven. TITUS. Verraders, weg! hij komt niet in dit graf.
Zoo zelfs als bedelaar ging Gisippos naar Rome om te zien, of Titus zich hem herinneren zou, en daar hij wist, dat die in den gunst van alle Romeinen stond, ging hij na gehoord te hebben, waar zijn huizen waren, daar afwachten tot Titus er kwam, waar hij zich voornam niet te spreken van zijn ellende maar zijn best deed zich hem te vertoonen, opdat Titus hem herkennen zou en roepen.
AARON. Mijn heer, de keizer Titus Andronicus Meldt u door mij, dat, zoo ge uw zoons bemint, Gij, oude Titus, Lucius, of gij, Marcus, Wie uwer ook, de hand zich af moog' houwen En aan den keizer zenden; daarvoor zendt Hij beide uw zoons u levend hier terug, En dit zal 't losgeld zijn voor hunne schuld. TITUS. O beste, goede keizer! vriendlijke Aaron!
Dezen kwamen natuurlijk spoedig gewapend terug, om hunne betrekkingen op te vorderen. De vrouwen scheen het evenwel bij de Romeinen zoo goed te bevallen, dat zij eene verzoening wisten te bewerken. Nu werd er besloten, dat de Sabijnen en de Romeinen voortaan één volk zouden uitmaken, waarover Romulus en de Sabijnsche koning Titus gemeenschappelijk zouden regeeren.
TITUS. Marcus, gij hebt mij op den helm geslagen En met die knapen in mijn eer gewond; En elk van u acht ik mijn vijand thans. Zoo kwelt mij dus niet langer, maar gaat heen. MARCUS. Hij is zichzelf thans niet, komt, laat ons gaan. QUINTUS. Ik niet, eer Mucius' lijk begraven is. MARCUS. Broeder, want in dien naam pleit de natuur, QUINTUS. Vader, want in dien naam spreekt de natuur,
Woord Van De Dag
Anderen Op Zoek