Ik meende dan ook niet tusschen beiden te moeten komen in den twist tusschen Pontcloué en Matifat, zelfs niet met het edelmoedig voornemen hen te verzoenen. Ook stond ik mijn belangen niet voor, maar dat komt omdat ik van natuur blood ben en... Gij kent het vervolg van dien volzin. Eindelijk was het middaguur tot groote voldoening onzer magen aangebroken.

O wat een jacht, mijn vrienden, wat een jacht!" Ik telde in stilte, en had ik goed geteld? Welnu, dan was het bewijs er, dat van alle patrijzen, die Pontcloué en Matifat geschoten hadden, geen enkele in hunne weitasch terecht was gekomen. Maar ik durfde niets te zeggen, omdat ik wat bloo uitgevallen ben in tegenwoordigheid van menschen, die het beter weten dan ik.

De andere vloog met spoed weg en streek weer op meer dan een kilometer afstand achter een sterke terreingolving neer. O! ellendige patrijs! van welk krakeel waart gij niet schuld! Welke betreurenswaardige woordenwisselingen hadden er plaats tusschen Pontcloué en Matifat. Ieder hunner beweerde de moordenaar te zijn. Vandaar dan ook de bittere antwoorden aan elkander!

Een uur later had ik de herberg bereikt, waar ik zoo goed mogelijk de afwezigheid van mijn geweer verborg, en waar ik ook geen enkel woord over dat ongeval repte. Laat mij er bij vertellen, dat mijn metgezellen een kwartel en twee patrijzen voor hun zevenen meegebracht hadden. Pontcloué en Matifat waren sedert hunnen twist voortaan doodvijanden.

»Ja, ik heb geschoten,... net als iedereen." »Welnu, dan is de zaak uitgemaakt!" riep Duvauchelle. »Hoe, uitgemaakt?" vroeg ik. »Ja, jij bent een even onhandig jager als Napoleon I," zei Pontcloué, die het keizerrijk verfoeide. »Ik!" riep ik. »Ik!..." »Niemand anders kan het zijn!" sprak Brétignot gestreng. »Inderdaad, die mijnheer is een gevaarlijk mensch!" meende Matifat.

Men had hem dan ook al eens een dooden haas met een ongeladen geweer laten schieten, een van die jagers-aardigheden, die gedurende zes maanden het gesprek uitmaken van de gezelschappen in de sociëteiten en der tables d'hôte in de hotels. Ik moest den krachtigen handdruk ondergaan van Matifat, die wel de grootste opsnijder van jagerheldendaden was. Hij sprak nimmer van iets anders.

O, als ik een hond had gehad!" Komaan, komaan! met zoo'n gevatheid, kon het niet missen of ik moest een echte jager worden! Plotseling werd de ondervraging, waaraan ik onderworpen werd, afgebroken. De hond van Pontcloué had op minder dan tien passen een kwartel doen opgaan. Onwillekeurig en bij instinct als men wil, legde ik aan.... en pan! zoo als Matifat zeide.

Toen begon andermaal de twist tusschen Pontcloué en Matifat over die patrijs. Er mengden zich anderen in het gekibbel, en waarachtig, men was op het punt elkaar in de haren te vliegen! Eindelijk, Goddank! togen wij een uur later weer op weg, goed gevoederd en goed gedrenkt, zooals men hier te lande zegt. Men zou misschien nu vóór het diner gelukkiger zijn.

Brétignot, Matifat, Pontcloué, Duvauchelle en al de anderen snorkten nog. Evenals al de onervaren jagers, die vóór den dageraad op weg willen gaan, was ik ongeduldig om, zonder zelfs ontbeten te hebben, in de vlakte op het jachtveld te komen.

»Hoeveel hazen ik verleden jaar geschoten heb," verhaalde Matifat, terwijl de hotsende postwagen de reis naar Hérissart voortzette, »ja, hoeveel hazen ik geschoten heb, is niet te tellen!" »Kijk, dat is net als ik!" dacht ik. »En ik dan, Matifat!" antwoordde Pontcloué. »Herinnert ge u den laatsten keer nog wel, dat wij te samen in de nabijheid van Argoeuves zijn gaan jagen?