De kring van gletschers eindigt in het Oosten in den Mooretop van den Baker, waar zich de enkele dagen te voren door Sella opgerichte steenhoop verheft. Over den Scott-Elliotpas heen ziet men als door een venster in de verte den uitersten westelijken rand van den Luigi-van-Savoyeberg.

»'t Is voorbij, vrouw Thingummysprak de dokter eindelijk. »Dat is 't; de arme zielzei de baker, en raapte de kurk van de groene flesch op, die op het kussen was gevallen, toen zij bukte om het kind weg te nemen. »Arm schaap!« »Je hoeft niet om mij te sturen als het kind huilt, bakerzei de dokter en trok met zorg zijn handschoenen aan. »Hoogstwaarschijnlijk zal het wel lastig zijn.

Toen weldra weer een kind moest komen, trok ze 't zich nauwelijks aan en leed er niet meer onder. Het kwam ook heel gemakkelijk, haast zonder smart; het werd geboren midden op den dag, zonder hulp van dokter of baker, terwijl Smul even naar het veld gehinkt was.

"En Hy zal blyven wat Hy was, niet voor u alleen, niet voor my alleen, neen, wy lezen duidelyk in het hoofdstuk waaruit we onzen tekst kozen: "mijn heele Familie zal je altyd gebruiken!" "Ziet gy, Geliefden: zyne heele familie! Wat is de familie van iemand die eene zoo hooge stoep heeft, en een windklok? Dat is het menschdom. Vrouw Stotter is de Baker van het heele menschelyke geslacht.

De baker slaakte een diepen zucht, maar wilde blijkbaar niets van een dokter weten. Zij schudde heftig van neen. "Maar zèg dan toch wat, baker! Zulk zwijgen is om er tureluursch van te worden. Of kan u niet spreken?" De baker zei nog niets, maar keek wanhopig naar den zolder. "Doe uw mond eens open, baker," ging Dik zonder medelijden voort, en hij pakte haar kin tusschen vinger en duim.

De baker zette de soep op een vuurtje, om die warm te houden, plaatste het comfoortje vóór zich op tafel, en nam den kleinen Dirk op haar schoot, om hem te verkleeden. Dirks moeder, die zeer zwak was, lag in een gerusten slaap. Af en toe roerde de baker eens in de soep, opdat deze niet zou aanbranden, en nam dan telkens een paar lepels vol, om te proeven, hoe warm ze was.

Neen, 't was eene buurvrouw, die eens even naar den kleine kwam zien. De baker nam hem uit de wieg en hield hem de buurvrouw voor. Doch nauwelijks zag deze hem, of zij sloeg van verbazing hare handen in elkander, en riep uit: "Wel, wel, wat een driedubbeldikke jongen is dat! Zoo 'n dikzak heb ik nog nooit gezien! 't Is zoo waar een natuurwonder! Welke bolle wangen, en zie me die beenen eens aan!

Daar heb je nou m'nheer Luttelmans van de Prinsengracht... dien heb ik gebakerd... en die zei altyd... want ik heb altyd heel in 't fatsoelyke gebakerd, weetje... 't is 'n huis met 'n hooge stoep, en in de gang stond zoo'n klok, weetje, van regen en wind... en die zei altyd: "vrouw Stotter, zeit-i, je bent 'n goeie vrouw, zeit-i en 'n knappe baker, dat zal ik altyd van je zeggen, zeit-i, en, zeit-i, m'n heele familie zal je gebruiken, zeit-i maar zeit-i, als de mensen je zoowat zeggen, zeit-i, moet je maar net doen of je 't niet hoort" dankie, juffrouw Pieterse, m'n koppie is omgekeerd, dat zie je wel en daarom zeg ik maar altyd... ieder moet weten wat-i doet.

Waar alles vergaat, zal Hy bloeien... bloeien in al de frisheid Zyner jeugd, als op den stond toen Hy, tusschen juffrouw Mabbel en de Weduwe Zipperman, nederig naar den mensch, maar groot als uitverkoren Baker, zegevierend getuigen kon: "dat zeiti!"

Gij moet ook een vriendelijk woord tot Sander spreken: hij heeft mij te Harlingen teruggevonden en, ondanks al mijn slechtheid, had hij mij nog lief en wilde mij met zich nemen, hoewel ik hem zeide, dat ik zijn liefde door mijn wangedrag verbeurd had: en hij heeft mij in mijn ziekte niet verlaten, maar zoo trouwhartig opgepast, als geen baker beter had kunnen doen."