Het woud van kleine blaadjes in iederen machtigen iepenboom, aan den grijzen weg, kromp ineen, fladderde als millioenen vogelenvleugels, samen, buigend en wenkend, warrelend in angst. Het kind kreet 't toen plotseling uit, in lange frissche geluiden uit de jonge keel, zijn gezichtje wrong zich samen, verschrikt voor het naderende leven.

Leg een paar duiten in een der gaten, breng dus uwe offerande aan den alhier geposteerden onzichtbaren portier, en ge kunt welgemoed verder gaan, al kunt ge geen twintig voet diepte, geen tien schreden naar beneden vooruit zien door het schitterend, warrelend ijle wolkenfloers. De goden hebben hunne gordijnen dicht geschoven totdat de hemelgeesten ze omhoog zullen trekken.

Tamalone begreep niet wat hem had wakker gemaakt in een stemming van genot en ontzag en wat hem op dit oogenblik denken deed aan zijn jongelingsjaren hij zag zeer helder een winteravond met sneeuw geruchtloos warrelend tusschen de gesloten huizen, toen hij zijn ouders verlaten had, die bij de schouw zaten waar het vuur hoog in vlamde. En hij hoorde koraalgezang in zijn gemoed.

De God, die uit den chaos in zeeën van glans opzweeft en is en duisternis scheidt van licht, met éen gebaar van openspreidende armen, en uit kolken van warrelend licht de zon rondt en ze slingert waar ze nu eeuwig staan zal, en de maan dan slingert en dichter dan zweeft en oproept en verdeelt, alles slechts met éen gebaar: het water hier, het land daar, de planten en de dieren...

Het elektrisch licht dat van overal neergutste, pletste groen-wit open op de krieuweling van het blauw en rood en geel en warrelend lijvengedoe. Sörge en Verlat geraakten met hunne dames in de balkoenloge waarheen een zwart-gerokte kelner hen leidde. Het was, van hier, een onvergetelijk zicht.

De alférez verwijderde zich om een horloge te halen, en de minuten af te tellen. Onderwijl hing Tarsilo, zijn lang haar warrelend in de lucht. Hij hield de oogen half dicht. "Als jullie christenen zijn, als jullie een hart hebben," stamelde hij smekend, "laat me dan gauw zakken, of maak dat mijn hoofd tegen den muur aan slaat, en dat ik sterf.

Dan zwenken zij weer om, recht de zon in het oog en vervormen zich tot een zwart warrelend lijnenspel: snorrende wieltjes in wielend insectenleven, draaiende wieltjes, die de draden spinnen van een weefsel, dat een geheel volk zal bekleeden, en zij snorren als nooit eenig ander spinnewiel. Maar het begin van het einde is nabij; de tijd van zingen is haast gedaan.

De glazen gamelan in de pendopo weet je er meer van te vertellen als ik. Ze spelen ons drieën lievelingslied. Het is geen lied, geen melodie eigenlijk, enkel klanken en tonen, zoo week en zoo zacht, grillig, onbestemd dooreen trillend, warrelend, maar hoe aangrijpend, hoe roerend mooi is het!

Want vaak schijnt het mij toe alsof de levenlooze dingen met de levende voelen en lijden. De scheiding tusschen hen en ons is niet zoo groot als de menschen meenen. Welk stofje op aarde is niet meegevoerd door den cirkelgang van het leven. Is niet misschien het warrelend stof van den weg eens gestreeld als zacht haar, of bemind als goede, weldoende handen.

De electrische tram haalde hen in en trok een lange rij dorre en gele bladen warrelend en schuifelend, ritselend achter zich aan, een lolletje Gods, datti zich wel veroorloven kon op zoo'n dag. Van Beek stegen ze naar Berg en Dal slingerend door de heuvels. En de heuvels waren te laag en niet steil genoeg, hoe kon je daar moe worden?