Vietnam or Thailand ? Vote for the TOP Country of the Week !
Bijgewerkt: 2 december 2025
"Ramp, ramp!" klaagde Witta, "wie er ook overwinne, Vlaanderen zal overdekt worden met lijken ..." "O, mijn God!" kreet eensklaps Dakerlia verbleekend. "Wat geschiedt u? Wat ziet gij?" vroegen Robrecht en zijne zuster verbaasd. Maar Dakerlia greep haren verloofde de hand, trok hem naar de Hofstraat en antwoordde haastig: "Kom, kom, loopen wij naar huis. Mijn arme vader!
Onze vijanden zullen de kans niet laten ontsnappen, om al de Erembalds van medeplichtigheid aan dezen moord te beschuldigen. Gansch Vlaanderen zal ons vervolgen en ons verderf najagen als eene rechtvaardige wraak!" "De dood is niets, oom, wanneer men onschuldig sterft", zeide Robrecht met beklemden toorn, "maar de schande!
Zeker, zijn aanslag zou gelukken. Daardoor zou hij niet alleenlijk bij de vervolging en de wraak tegen de moordenaars van graaf Karel uitgezonderd blijven; maar hij zou invloed en geloof genoeg bij den veldheer en zijne ridders verkrijgen, om Robrecht Sneloghe zonder genade ter dood te doen brengen. Dan bleef Dakerlia alleen; dan verviel zij geheel in zijne macht. En wie weet?
Onderweg zagen zij overal dezelfde bedrijvigheid: hier metselde men, daar timmerde men, verder droeg men steenen op waltorens en op vestingmuren . Bij de Smedepoort ontmoetten zij Robrecht Sneloghe, die daar den arbeid van zijne zestig Ravenschootsche Kerels bestierde.
Kom; ik wil hem zien, hem troosten of bidden nevens zijn doodbed!" zuchtte Dakerlia, die voelde dat hare krachten haar weder dreigden te begeven. Zij leunde zwaar op den arm van Robrecht en op den arm van den ouden Bertulf. Hare stappen waren wankelend en zij liet het hoofd op de borst hangen.
Te midden zijner wacht stapte Robrecht met opgeheven hoofd en koele beradenheid voort. Zijn blik was evenwel onvast en wijfelend, en zoozeer scheen hij vreemd aan alles wat rondom hem geschiedde, dat hij niet meer acht op de tegenwoordigheid van Disdir Vos scheen te slaan, dan of hij hem ooit hadde gekend. Al zijne denkingskracht was in een enkel gevoel verslonden.
Terwijl hij dit zegde, liep hij met ongeduld naar de zaal waar de heren met de Graaf waren, en drong met geweld door hen tot voor zijn vader. De ridders verwonderden zich grotelijks; want Robrecht was nog in volle harnas en gans met ijzer overdekt. "O Mijn Heer en Vader," sprak hij, "wat zegt men?
Indien gij zoo blijft voortgaan, zult gij ons groote onheilen op den hals halen en, wat het ergste is, wij zullen ze verdiend hebben." "Gij hoeft over het verbreken mijner huwelijksbelofte geene wraak te zoeken", zeide Robrecht. "Is Ghyselbrecht Tancmar er de oorzaak van, ik ben hem zeer dankbaar; want hij heeft mij eenen onschatbaren dienst bewezen en mij gelukkig gemaakt."
Gij maakt gerucht en tiert. Dit zijn geene redenen." "Dwaze gedachte?" herhaalde Burchard. "Is Wiillem Van Loo niet de kleinzoon en erfgenaam van den graaf Robrecht De Vries, door de mannen, terwijl Karel van Denemarken dit slechts is door de vrouwen?
Robrecht van Bethune en Willem, zijn broeder, hadden hun dravers bij de zijde huns vaders gebracht; Raoul de Nesle en De Chatillon waren insgelijks nevens Charles de Valois, hun Veldheer, genaderd. Deze sloeg de ogen met medelijden op de witte haren van Gwyde en op het neerslachtig gelaat van zijn zoon Willem, en sprak: "Ik bid u, edele Graaf, geloof dat uw smartlijk lot mij pijnt.
Woord Van De Dag
Anderen Op Zoek