Neen .... zoo niet .... Ik wil zeggen: hebt ge wel iets gedaan om die liefde te behouden? Ik heb u toch en eeniglijk genomen omdat ik u liefhad, en gij hebt me om geen andere reden aanvaard. Het is, ziet ge wel, om dat wat nu gebeurt, zoo gek, zoo onzinnig is! Ik vraag uwe liefde, maar ik vraag ze onvoorwaardelijk. Gij, reeds van in den beginne, gaaft ze mij onder voorbehoud. Wat wil ik?

»Dat hij zich gaarne getroostte," lachte de satraap, »daar gij bevel gaaft, op iedere striem een goudstater te leggen." »Ja, mijn lust om klappen uit te deelen heeft me reeds veel geld gekost. Doch ter zake. Nauwelijks had Bartja de oogen weder geopend, of Gyges droeg mij op naar Sardes te rijden, om een bekwamen geneesheer en een gemakkelijken reiswagen te halen. Dien rit doet geen mensch mij na!

Uit vele wonden vloeit mijn bloed, het scherpe zwaard heeft mij zoo dicht bij het hart getroffen. Luister geliefde, neen, ween nu niet, vervul dezen wensch: neem Hedin tot u, heb Hedin lief, maak zoo den jongen held gelukkig." Doch Svaba antwoordde hem: "Weet gij nog wel, mijn Helgi, wat ik u beloofd heb, toen gij mij uw gouden ringen gaaft?

"Wij danken u," zegt het, "voor goeden arbeid, voor het brood, dat ge den armen gaaft, voor de wegen, die ge gebaand, de huizen, die ge gebouwd hebt. Wij danken u voor de vreugde, waarvoor ge uw huis geopend hebt. Wij danken u! Rust in vrede, uw werk leeft voort en houdt stand. Uw hoeve zal altijd een vrijplaats zijn voor den arbeid, die geluk aanbrengt. Wij danken u!

Ik ben niet verplicht u dit alles te zeggen; maar ik gevoel te diep in mijnen eigen boezem wat gij moet lijden. Daarom poog ik u te troosten." "O, heb dank!" riep Disdir Vos, zijnen vriend de hand drukkende "Het is als gaaft gij mij, met de verlorene hoop, een nieuw leven weder. Durfde ik van uwe edelmoedige vriendschap eene weldaad afsmeeken ..." "Spreek; wat mogelijk is zal ik gaarne doen."

Gij kondt u vlijen aan den voet der eeuwige monumenten en u wegdenken in 't leed, in de vreugde, in de gedachten en het scheppingsgenot van wie die schiepen. Gij bevolktet de leege straten, de pleinen en paleizen met uwe droomen, deedt hen zitten op de tronen, gaaft hun den schepter in de teere handen; ook schonkt gij hun rijk-gekleede dienaren, een hof van pages, ridders en edelvrouwen.

Ik zou liever hebben dat je me een pak slaag gaaft; dan zou ik minder verdriet hebben; onze koe! onze arme koe! de koe van den prins! Hij begon bitter te schreien. Toen was het mijn beurt om hem te troosten en hem aan 't verstand te brengen, dat onze toestand zoo erg niet was.

Toornig verhief zich Anne en riep uit: "Gij slechte vrouw! gij hebt dus uw zuster, uw kinderen en uw man vergeten! Waarom gaaft ge dan hedenmorgen nog een stuk brood aan een ellendigen bedelaar? Waarom gaaft ge uw geld aan de armen? O! ik ken u en uw streken.

Zie, beste heer, stel het geval, dat gij mij werkelijk in boeien liet slaan en in de gevangenis werpen, dat gij den cipier last gaaft mij ten strengste te bewaken, en dat deze werkelijk mijn ontsnappen belette, dan zou toch niemand in staat zijn, mij tot slapen te dwingen, als ik eens besloten was, mijne oogen open te houden." "Ha, meent gij het zoo, maat?" riep Sancho en lachte hartelijk.

d'Oogappels groot en donker op de vonken van Gods verborgen wonderen gericht hebt gij 't klein leeven rondom u geschonken een rijkdom lief en licht. Zoo gaaft gij, die mijn vriend zijt en gezelle, schoon gansch verteerd in uw Godsliefdebrand, juist door dat vuur een luister hoog en helle aan 't heerlijk Vlaanderland.