Maar voor het eerst sedert de "goospenning" aarzelde onze gedienstige, om mijn verzoek ten uitvoer te brengen. "As meneer nou soms dacht ... want zoowaar as die tuchthuisboef" 't was nogmaals zonde dat ze 't zei een edelman was, was zij ... 'n ... 'n prinses! Daar zag Ridder Racier je immers ook voor aan?"

Hier zweeg hij van ontroering, dikke tranen in z'n oogen. "Is je vader op de barricade gebleven, Racier?" vroeg de schilder deelnemend. "?" werd de ander uit z'n droomen gewekt "papa? Wel nee, die is ommers as vrouw verkleed, as markiezin dan netuurlijk, Napoléon achtervolgd, l'Empereur ... en heeft 'm de grenze overgejaagd ... We hebbe d'r nooit spijt van gehad." "D

"Och ja; en hoe gaat dat dan verder, ?" veronderstelde Racier als oud-vertrouwde gevangenisklant vanzelf ook bij mij dat laatste bedrijf van zijn dramma wel-bekend. 't Scheen hem de moeite van het vertellen nauwelijks meer waard.

Is 't alles van gistere vergeve en vergete?... Want anders dan ben 'k je koffie niet waard, en zet ik geen mond an 't bakkie ..." "Waarachtig, Racier als 'k je nou toch begrijp ..." Maar hij stak me zijn voeten toe: z'n verloopen schoenen glommen opmerkelijk.

't Is fijn, , me leve?... Maar vin je 't nou niet diep treurig, dat 'n mensch zoo van de eene misdaad in de andere valt?... 'k Heb 'n voorgevoel, da' je me laat schiete as je alles van me weet..." "Niet? 't Zou me meevalle. Ben je dan soms ook atheïst?... Anders zeg je an 't slot: Nee Racier, snij maar uit ... jij ben me te slecht.

"Racier!" tracht ik dan zoo blij mogelijk verrast hem te verwelkomen. En even lachend wisselen we telkens weer dienzelfden blik van verstandhouding, die nu eenmaal 'n stilzwijgende vraag beduidt van mijn kant, en zijn bemoedigend antwoord: "nee hoor, géén onrein.

Na' Londòn óók, maar dan neem 'k me route over Harlinge met de koeieboot, om op 't vee te passe, want dan je voor ... vijf en twintig stuivers over ..." "En hoe vermom je je dan, Racier?" kwam ik 'm in 't gevlei.

"Timmermans?" kwam de schilder verwonderd om z'n ezel. Maar Racier hoorde hem niet. Hij zat ontroerd, en de tranen liepen 'm langs z'n witte gezicht. "Was je moeder zoo ziek?" vroeg de ander meewariger. "K

Straks ging het scherm weer op en zou hij in de comédie humaine z'n sterreloop voortzetten ... Want hij was immers de verhevendste kunstenaar, de universeelste geleerde, de messias van het atheïsme, de edelste mensch naar karakter en afkomst. Nu zou hij daden verrichten, die over heel de wereld den naam van Racier beroemd zouden maken; en lukte 't niet in het goede ... dan maar in het kwaad!

Maar as 'k dat gat goed schoon zien, maak ik jou kapot." "Helaas, zoover ben ik tot hede niet kenne komme!"... 't Was wonderlijk zooals Racier dan, zijn roesje weldra bekoeld, met een welhaast verlegen meewarigen glimlach mij even onderuit aan kon kijken, of ik 't toch niet