En 't ongebooren kind heeft geleefd maanden negen, Is doen mede gerust; genieten 's Heeren zegen. Door 't woede van de stier werd Jacobs egte wijf Een kraamvrouw in het veld, een weeuw' en zielloos lijf'. Hier onder leyd de moer en vaar En d'ongebooren bij malkaar.

Dat streelde de juffrouw en ze studieerde op de piano dat het mevrouw soms te druk wier, maar ook en daar zat hem de kwaje kneep ze verlangde naar niets en naar niemand sterker dan naar dien vreemden muziek-poespas. Wat er toen allemaal zoo precies is voorgevallen, dat weet ik niet, maar wél, dat die twee meer voor malkaar gingen voelen dan rechtuit, zij ten minste.

"'Dat ik ten minste weet, niet, gaf ik hem ten antwoord. 'Wie heb ik eigenlijk 't plaisir te zien? "'Ik ben Darmold, zeide hij: 'ik heb nu twintig jaren geleden van uwe gastvrijheid geprofiteerd, en kom nu uit de Oost terug. "'Darmold? zeg ik: 'heden, je bent veranderd; maar 't is ook al een heele tijd, dat wij malkaâr niet gezien hebben. Wel ja, ik heb je toen nog naar het schip gebragt.

En zij lieten zich in een dikken hooiopper zakken, namen malkaar in de armen, wrongen dieper in het hooi als in een holte, en Pallieter rok zijn beenen van de deugd; zij lei heur hoofdje in de molligheid van zijn breede schouders, en zoo zaten ze daar bijeengekropen lijk twee jonge konijntjes.

In de dorpsdreef ontmoette hij veel boeren en boerinnen die ter kerke gingen. Ze riepen van verre goêndag naar malkaar en vorderden hunnen weg. De straat tusschen de huizen was vol menschen en hunne kloefen en schoenen klonken tegen de stille hardvervrorene steenen.

Bintsdien grepen de grove handen naar versche borrels op 't schenkschaalken en de koperen vuurpot deed alsaan de ronde om nieuwe pijpen te ontsteken. De klap ging elders onbezorgd, vrij, lustig, vriendelijk. Onder makkers werd afgesproken hoe men den achtermiddag zou overbrengen, naar wat gehucht of welken hoek of herberg of waar ze malkaar zouden vinden om te schieten, te bollen of te kaarten.

Waarom bleef ik niet koes tot hij buiten was, gromde hij. Maar nu wilde hij bij alle duivels in 't Vlammend Hert, zijne plaats niet meer verloochenen, al zaten er honderd Vanhoutten. Met kloeken duw stak hij de deur der gelagkamer open. Zijn gebuur zat aan een tafeltje te eten, hun blik kruiste als de weerlicht en dan bezagen de twee boeren malkaar niet meer.

En rijen, jongens, ze reden, de honden, vier aaneen, gelijk effen dravend dat ge geen pooten en zaagt en de wielen dokkerden luide over de straatsteenen dat de inzittenden malkaar de woorden luide schreeuwen moesten als ze iets zeggen of vragen wilden. De boomen draaiden achterwaards weg en Treite merkte nu eerst dat er nog geen blaren aan de takken waren.

In dien tusschentijd heeft mijn oudste zoon, die in mijne zaken is, en die, nu ik van huis ben, alles alleen waarneemt, de jonge Emma leeren kennen, en de jongeluidjes zijn malkaâr goed bevallen. Ik had er niets tegen, want zij zal wel een goed stuivertje meêbrengen; en de oude Heer Darmold is van idee, dat men jonge menschen in hunne inclinatiën niet moet tegengaan.

Ze vond het nu zonde hier stil op malkaar te zitten kijken en zonder reppen dood te vallen, verhongerd. Daar woonden toch menschen in de straat en met brood reden de bakkers gedurig vóór de deur, dat 't een verdommelijke schande was om zien.