Hy vestigde zich als boer op dat erve, dat naar zyne oorspronkelike eigenaars steeds het erve Poppink genoemd werd, naar den Saks Poppo, die daar, in den ouden, ouden tijd, reeds voor d' invoering van het kerstendom, eerst gewoond en het land ontgonnen had.

Ook onze kronijk geeft geen meerder licht, maar is schijnbaar in den doolhof medegedwaald. Verg. Scriverius in zijden Toets-steen op het Oude Goutsche Chronycxken, p. 204, 205. De andere kronijken springen met die historie, tot op Adgillus tijd, wonder om, terwijl men het over diens vader maar geheel niet eens kan worden. Was Adgillus een Saks of een Fries?

Het tweede was: hunne vrees, dat zij, wier vaderen zoo vele eeuwen tegen de Hollandsche Graven met leeuwenmoed hadden gestreden, nu eindelijk door hen overheerscht zouden worden, dewijl de gehate Saks op eene, in hun oog, verraderlijke wijze Friesland, ~voor geld!~ had verkocht aan Prins KAREL van Oostenrijk, Gelders erfvijand en nu zijn mededinger om een land, dat hij hem betwisten zou, zoolang zijne vuist het zwaard kon voeren.

Old Shatterhand bukte, om denzelfden steen op te tillen, maar bracht dien, naar het scheen met de grootste inspanning, niet hooger dan een duim of drie. Er ging een "oef!" van zelfvoldoening in den kring der Indianen op. Maar de kleine Saks, zei tegen den dikken Jemmy: "Hij houdt zich maar zoo, om den hoofdman nog opgeblazener te maken.

Ik ben een goed mensch; ik ben, om zoo te zeggen, twee zielen en één gedachte; maar als ik boos word, hak ik de gansche formidabele wereldgeschiedenis in de pan. Gij zult mij nog leeren kennen zooals ik ben. Ik ben een Saks, verstaat ge mij! Wij Saksen zijn altijd een strategisch amusant volk geweest, en hebben in alle oorlogen en diatonische twisten de meeste klappen uitgedeeld."

Maar als geboren Saks en uitgeslapen vos twijfel ik er volstrekt niet aan, dat mijn verwachtingen zich in de schoonste vervulling zullen absolveeren; maar om elkander filissiteerend aan den boezem te drukken, zoo ver zijn we nog niet. Ik ben...." Hij werd in de rede gevallen, want de ingenieur riep op angstigen toon: "Ellen! Waar is Ellen? Ik zie haar niet!"

Tot in de XVI eeuw was het eene algemeene gewoonte, de gevangenen zonder genade over boord te werpen. Bl. 151. Ao 1515. Hertog Georg. Aldus werd Friesland als 't ware weder verkocht, en, zooveel de Saks vermogt, geleverd voor honderd duizend goudguldens. Wagenaar, Vad. Hist. IV. 390, en Bild. Gesch.

Weinig stoorde hij zich aan EDZARD, die over deze misleiding in woede was ontstoken, en evenmin aan den Saks, die daarover wraak nam door het bedrijven van velerlei wreedheden. Nu rigtte hij al zijne krachten naar Friesland, om ook dáár het zelfde doel te bereiken, waartoe hij aanleiding vond in het verzoek van eenige aanzienlijke Friezen, om hen te hulp te komen ter verdrijving van de Saksers.

Maar wijl de namen Fries, Saks, Frank, Beier, Swaaf, Dano, die aan deze geslachtsnamen ten grondslag liggen, zoo wel mansvoornamen zijn als volksnamen, zoo is het twyfelachtig of men hier met het eene te doen heeft of met het andere. Deze geslachtsnamen komen vooral onder de Friesen voor.

Maar gij kent die namen zoo precies: zijt gij bijgeval ook een Duitscher?" "Natuurlijk." "Waar vandaan?" vroeg Frank, nu op zijn beurt verwonderd. "Ook uit Saksen, namelijk Saksen-Altenburg." "Wel, sapperloot!" riep de kleine uit. "Ook een Saks, en ook een Altenburger! Hoe is het mogelijk! Uit de stad Altenburg of van het platteland, he?" "Niet uit de residentie, maar uit Langenleube."