Vele jaren later heeft Ibsen nog één historisch drama geschreven, maar dit behoort niet meer geheel in den hier bedoelden zin tot de romantiek, en het neemt door zijn wereldhistorische en diep-menschelijke beteekenis een aparte plaats in Ibsen's productie in. De stof voor Hermændene en Kongsemnerne is aan de Noorsche oudheid ontleend.

Men kent de ammonieten reeds langen tijd, en reeds de oudheid had door de beschouwing dier versteende schelpen de oude gedaantewisselingen der aarde en der zeeën geraden. Zij ontleenen hunnen naam aan de overeenkomst hunner kronkelingen met de ramshorens, die men vindt op de symbolische voorstellingen van Jupiter Ammon. Vooral in de Juraperiode nemen de ammonieten hunne grootste vlucht.

Moge Palmerin van Engeland bewaard blijven als een merkwaardige relikwie uit de oudheid. Cervantes. De eerste critici van de Spaansche romance schijnen er op uit te zijn geweest in elk dezer dichtwerken den Portugeeschen oorsprong op te sporen.

Daarna stak Nana Sahib de Betwa, een tak van de Jumna over, die naar het noorden aan de westelijke grens van Bundelkund loopt en kwam den 19n April, door een prachtige vallei met een overvloed van dadel- en mangoboomen, te Souari aan. Daar bevinden zich zonderlinge bouwgewrochten van zeer hooge oudheid.

En echter vinden wij die in al de schoolboeken. "Ik beken gaarne, dat gij dagelijks betere dingen voortbrengt, dan al wat wij van dien aard in de klassieke oudheid aantreffen: en juist daarom verbeeld ik mij, dat gij, gebruik makende van de bouwstoffen die gij hebt, een zeer onderhoudend boek zoudt hebben kunnen schrijven.

Zulke kanons stellen bepaalde eischen aan de voornaamste uitwendige deelen van het lichaam enz., en het meerendeel dier eischen komt neer op een eenvoudige meting. Een individu, dat aan alle gestelde eischen zou voldoen, zou dan als het ideaal van schoonheid moeten worden aangemerkt. Zulke kanons stammen al uit de oudheid.

Mijn vader was, ondanks de bezigheden, welke zijn ambt hem opleide, een minnaar gebleven der classieke oudheid en van alles, wat daarmede in verband stond: en het was hem de zoetste verpoozing van zijn arbeid, wanneer hij, in de weinige uren van uitspanning, die hem te beurt vielen, zich in de lezing en beoefening zijner geliefkoosde schrijvers verlustigen kon.

Alles wat de scholastieken gezegd hadden over deze onderwerpen, had, volgens zijn bewering, volstrekt geen waarde. Wat de oudheid hierover ons naliet, was van weinig beteekenis.

Register van den aanbreng van 1511, en verdere stukken tot de floreenbelasting betrekkelijk, uitgegeven door het Friesch Genootschap van Geschied-, Oudheid- en Taalkunde. Leeuwarden, 1880. C. Kilianus, Etymologicum teutonicae linguae sive Dictionarium teutonico-latinum. Utrecht, 1777. De oude Tijd. Haarlem, 1869 en '70. De oude Tijd. Door J. Ter Gouw. Haarlem, 1871-'74. Edw.

De oorsprong van dit volk verliest zich in de grijsste oudheid, maar de berichten aangaande eenen vroegtijdigen bloei, macht en onafhankelijkheid van het door hen gestichte rijk, zijn zeer mythisch en zeer fabelachtig. De geschiedenis toont ons hen schier nooit anders dan in afhankelijkheid en verbrokkeld.