Het wakkere paard liet den kop moede hangen, en de ruiter was nauwelijks in staat zich in den zadel te houden. Hij had een vreeselijken rit achter den rug, en slechts zijn ijzeren wil had hem overeind gehouden. Luide weerklonk het geblaf der waakhonden op het erf, toen de ruiter uit het zaâl stapte, en op de ramen kloppend, riep: »Doe open!"

De Doggen zijn trouw, maar niet zeer verstandig; zij zijn goede waakhonden, door hunne woestheid en moed voor de jacht op Wilde Zwijnen, Leeuwen, Tijgers en Panters geschikt; met ware doodsverachting pakken zij hunne gevaarlijke tegenstanders aan, letten op iederen oogwenk, op elk woord van hun meester, laten zich op den man africhten, bekommeren zich niet om schoten, houwen en verscheurde ledematen en takelen ook elkander bij 't vechten vreeselijk toe.

Daar stond de groote, sombere hoeve, laag en breed uitgebouwd met haar stallen en schuren, achter de donkere boomen van de oprijlaan en van den uitgestrekten boomgaard. Twee vensterramen van het woonhuis waren hel verlicht; de groote waakhonden blaften in het gerinkel van hun kettingen.

En het deed mij telkens zoo vreemd aan, dat de boeren en boerinnen die daar heen en weer liepen toch dezelfde menschen waren, die ik al zoo vele jaren kende; en dat zij hun gewone taal spraken en hun gewone bezigheden verrichtten; en dat daar koeien en varkens en kippen over het gras liepen; en dat daar stoeiende en spelende kinderen waren; en dat daar een waakhond vóór zijn hok lag, die hol en schor naar mij blafte, zooals alle waakhonden op alle boerderijen doen.

Hol blaften nu ook hier en daar, als antwoord op 't geluid der klokken, de waakhonden op de reeds donkere hoeven. Zij blaften maar even en zwegen. Een enkele baste nog een poosje door, met een langgerekt, klagend gehuil. Toen word ook hij stil.

Woest blaften de waakhonden, en de hanen, ontwaakt, begonnen schril te kraaien. De sterren blonken hier en daar als gouden punten in het pikzwarte loovergewelf der dubbele rij boomen van de lange oprijlaan, en een heel zacht windje ging suizend door de ritselende kruinen. Weer zwijgend nu in 't drukke praten van de anderen, liep Alfons naast Rozeke.

En behalve dat zag hij aan haar zijden twee zeer groote en wreede waakhonden, die haar dicht op de hielen wreed, waar zij haar maar krijgen konden, beten en achter haar zag hij op een zwart strijdros een bruinen ridder met een zeer verwoed gezicht en een degen in de hand, die haar met vreeselijke en beleedigende woorden met den dood bedreigde.

Hun groote, donkere schaduw-schimmen dwarrelden als gedrochtelijke, door elkaar hollende dansers over den rood-beglansden landweg vóór hen uit, en op de ingeslapen boerderijen waar zij langs kwamen, blaften de waakhonden schor-verwoed hun lawaaiïgen voorbijtocht na.

Toen weer de groote, donkere, sterrenflonkerende stilte, en heel héél in de verte 't hol geblaf van waakhonden met zware stemmen. Alfons trok de deur op 't nachtslot en stak den sleutel in zijn zak. Geen schim van dageraad was nog in 't Oosten te bespeuren.

Het Zwevende Scaec! Tusschen de boomstammen van het vergier!! En hij wees.... Overal klonken stemmen. Het Scaec! Het Scaec! Overal stormden de burchtbewoners de poorten uit, de trappen af. Aan een boograam, beneden, verscheen Koning Assentijn. De waakhonden en schoothondjes liepen uit en blaften. De paarden hinnikten in de stallen.