Ze was vrij. Geen banden knelden haar, geen wil van moeder bezeerde haar, geen muren van 't vierkante huis alginds wogen op haar. Ze was vrij levend en hare liefde, die sterkelijk uit eigen zinlijke emotie en eigen gepeinzen was opgerezen, hare liefde was vrij.... Met nieuwe gretigheid liep ze dan naar het huizeken, waar Johannes op haar wachtte of waar zij op Johannes wachten zou.

Nievers hadden ze ooit in zoo zwijgend en vredig een nacht gewandeld en hunne liefde heerschte hier in almachtige meesterschap. Goedele wendde altemets hare blikken achterwaarts: waar, alginds, tenden een klare holte het stille woud begon, zag ze nog een vlekje van den hemel, donkerrood geverfd en smeulend in schuchtere asschevonken.

Van daar bewonderde hij den tuin, volgde met liefde de sierlijke vaart der baantjes, de plezierige reke zonnebloemplanten, de kleine wilgen met zilveren tronk, en alginds het hooge gebladerte, rossig, bruin, gloeiend en geel. Hij pinkte af en toe een kruideken of een stofken van zijn bruine veste, en lei bij tijden een plooi rechtte in de vouw van zijn knie.

Lijk men soms op steile bergen de endelooze rustigheid der hemelen met rustigheid bewonderen kan en weet dat men niet blikken mag naar onder, waar duizelende diepten het hoofd verdraaien zoo zat hij en keek naar elkendeen, en dierf niet kijken alginds, ievers waar 't smokkel weerde, verre van hier.... En gedurig voelde hij den vriendelijken stoot van Johannes' elleboog of 't gewrijf van zijn vingeren, zachte.

Hij klopte op Romaans knie en zei: Hoort ge? Romaan was daar met zinnen onderstboven in de war. Door al 't gepraat heen bleef hij onveranderlijk rondstaren en zweeg. Hij had geen gedachten meer. Hij zat thuis. Hij voelde wel dat iets haperde ievers ... ievers ... maar 't vervaagde alginds, verre van hier.

Mijnheer Bley bleef op den drempel staan. Zijn wezen was rood en rond. Hij glimlachte en stak zijn handen uit. Het is gedaan, mijnheer Verlat, sprak hij, ik wensch u geluk met uw zoontje. Mevrouw heeft het erg voor gehad. Zij is nu buiten gevaar. En tot Ko, die al tastend was komen aandrummen: Die heeren alginds moeten verfrischt worden, zorg ervoor, oudje.

Bella sprong endelijk rechte, met een lach verwittigend dat het laat werd. Ursule bracht hier tegen in dat het morgen rustdag zou zijn en er dan geen bezwaar was om nog een uurken te blijven; ze deed het echter heel lauw en meest bij wijze van beleefdheid. De stoelen werden alhier en alginds verschoven, en Goedele ging in de voorzaal 't gaslicht aansteken.