Zijn geleider voerde hem den trap af naar de plaats waar een automobiel stond te wachten met helle lantaarns aan de eenige lichten die te zien waren beval den chauffeur goed zorg voor hem te dragen en zei hem vaarwel. "Zult u uw best voor ons doen?" zei hij, zijns meesters wijze van optreden zoo getrouw mogelijk nabootsend, terwijl hij Redwood's hand gevat hield.

Tègen hunne gewoonte kwamen zij niet door Redwood's straat en hij begon te vermoeden dat de politie het einde der straat had afgezet. Hij trachtte het raam op te schuiven, doch dit haalde hem onmiddellijk een agent op den hals. De klok der naburige kerk sloeg twaalf, en na een zee van tijd één uur. Het was alsof ze hem wilden voor den gek houden met hem een lunch voor te zetten.

"Het is ons bewijs, mijnheer, dat wij dit gevecht niet begonnen zijn. Zij vonden ons geheel onvoorbereid. "U bedoelt?" "Ik bedoel, mijnheer, dat de reuzen zich tot op zekere hoogte hebben staande gehouden." Redwood zag nu alles in een ander licht. Een oogenblik leek het alsof eene zenuwaandoening de spieren van Redwood's gelaat en keel deed schokken. Toen uitte hij een diep "Ah!"

Hij legde Redwood's verhandeling op den gepatenteerden lessenaar, die ongemakkelijk weg-draaide van zijn leunstoel, nam zijn gouden bril af, ademde erop, en wreef hem zeer zorgvuldig af. "Allemachtig!" zei de heer Bensington.

Doch dezen lof van Redwood's minzaamheid werd al heel gauw den bodem ingeslagen. De agenten vonden hem lastig in het begin, tot zij hem aan zijn verstand gebracht hadden dat het nutteloos was, vragen te doen of om couranten te vragen. Zij stelden een onderzoek in, in zijn studeerkamer, en namen zelfs de couranten mede die hij h

En ook hièrop had Redwood niet gerekend. Van het eerste oogenblik af aan, overheerschte Caterham Redwood voor zoover het den loop en de leiding van hun gesprek betrof. De aard van het eerste gedeelte van hun samenspreking, de toon en de leiding er van gingen van hem uit. En dat gebeurde alsof het zoo vanzelf sprak. Al Redwood's verwachtingen gingen in rook op toen hij voor hem stond.

Redwood's aandeel in wat er gezegd werd, was van zeer ondergeschikt belang, en niet anders als het ware dan wiggen, plotseling tusschen zijn phrases geschoven. "Onzin mijnheer." "Neen." "D

En ééns herinner ik me hem gehoord te hebben 't was op een middag in het grauwe verleden toen het Britsche Genootschap te Dover vergaderde, en ik inviel bij afdeeling C. of D. of een dergelijke letter welke haar kwartier had opgeslagen in een herberg, en ik uit louter nieuwsgierigheid twee ernstig-kijkende dames met bruinpapieren pakjes gevolgd was door eene deur waarop "Billard" en "Potspel" te lezen stond, een schandelijke duisternis in, die slechts gebroken werd door een tooverlantaarn-lichtkring van Redwood's diagrammen.

Maar een Publiek Vivarium, van voldoende grootte om dit mogelijk te maken, was, vreesde hij, op dit oogenblik in dit land tenminste, een Utopistische eisch. In Duitschland enz. Daar Redwood's jonge stieren zijn dagelijksche zorg vereischten, kwam het kiezen en uitrusten der Proef-Hoeve grootendeels op Bensington neer.

Redwood keek aandachtig in het vuur en opperde geen bezwaren. "Geloof je dat die naam gaan zou?" Redwood's hoofd bewoog zich ernstig. "We konden het ook Titanophorbia noemen, zie je. Titanen-voedsel... of lijkt het eerste je beter? Weet je zeker dat je het niet een beetje ...." "Neen." "Ha, daar ben ik blij om."