Ziet maar hoe een slechtgebouwde man of een leelijke vrouw een goed Londensch of Parijsch toilet staat.... Het is al te kennelijk niet voor hen gemaakt, dus:... staat het leelijk! Er zal altijd een wisselwerking, dus ook een contrasteering tusschen den mensch en zijn kleedij blijven. Een mooie dracht maakt een mooi mensch mooier.... maar een leelijk mensch leelijker.

De schoonheid is hier niet alleen aanwezig als schoon van treffende bespiegeling, zij is het ook en hier gemoeten wij de eigenlijke kunst-schoonheid als zekere levendigheid van den geest, die er, op bijzondere wijze, in geslaagd is, de begrippen dier treffende bespiegeling te vertastbaren en aanschouwelijk te maken. Op bijzondere wijze: louter, door contrasteering; door bij middel van het bewegelijke der beschrijving des te feller het aan-beweging-vijandige van het beschrevene te doen gevoelen, en door de levendigheid der beelding de doodschheid van het gebeelde. Deze beschrijvingsmethode is ongetwijfeld niet die van bijv. den objectieven naturalist, want onvermijdelijk dringt zij den auteur-zelf min of meer op het tooneel zijner schepping, en in plaats dat de lezer, gelijk in naturalistisch werk, slechts de dingen-zelf, zooals zij door den kunstenaar werden gezien, te aanschouwen krijgt, worden hem hier, in de allereerste plaats, de overwegingen getoond, die door de dingen in den auteursgeest werden gaande gemaakt, en als 't ware door die overwegingen heen aanschouwt hij pas de dingen-zelf. Het valt niet zoo makkelijk te zeggen als het lijkt, welke van de twee richtingen de voorkeur verdient de "objectieve" of de binnen-zekere-grenzen-subjectieve. Dat de laatste vooral door het knoeiwerk van tallooze beunhazen in onverdiend discrediet is gebracht, en men mede daardoor [p.215] de, nog wel verkeerd want al te volstrekt opgevatte, "objectiviteits"-leer der naturalisten ten onrechte als de alleen-zaligmakende heeft aanvaard, lijkt mij onbetwistbaar, al moet men toegeven, dat de meer subjectieve beschrijvingsmethode zooals ook een London ze, naar zijn aard gevariëerd, toepast uiteraard en dus ook in haar allerbeste applicaties, hare nadeelen heeft. Als de voornaamste daarvan kan men noemen: 1° de geringere sterkte van sommige in den lezer gewekte stemmingsaandoeningen, die door het aanschouwen der louter in en met hun eigen atmosfeer gebeelde dingen veel eerder ontstaan en stoorloozer zich ontwikkelen en beklijven dan door het zien dier dingen, wanneer zij door de min of meer stormige luchten van eens schrijvers geestig of gevoelig spreken staan ombuid. 2° De onvermijdelijke splitsing van 's lezers aandacht. Heen en weer geslingerd tusschen het aanschouwen der dingen en het aanhooren van den auteur, wordt hij een onrust gewaar, die hij weliswaar, mits zijn temperament hem daartoe in staat stelt, eerder prikkelend en amusant dan vervelend zal vinden, maar die hij toch, al naar mate zijn geest evenwichtiger is een deugd! wel degelijk ten slotte als onrust, d.i. iets onaangenaams zal voelen. Maar aan den anderen kant: de niet geringe voordeelen zijn allicht: een geestig kunstenaar te hooren tegelijkertijd beeldend- èn bespiegelend-spreken en vooral: als 't ware den schepper in zijn werkplaats te zien. Vast staat in elk geval, dat de Engelsche Grootmeester Charles Dickens met deze subjectief-realistische methode, wonderen van kunst-heerlijkheid heeft gewrocht. En al reikt London ongetwijfeld niet tot diens knieën, het valt op, dat de Amerikaan zijn rasverwantschap zoowel met den grooten Engelschen romancier als met andere Engelsche schrijvers toont in het bezit van die soort specifiek-Engelsche geestigheid, die men wellicht als een mengsel van "drogen" èn gevoeligen humor zou kunnen kenschetsen, waaraan zich dan helaas soms bij eenige auteurs een min of meer blufferige gewikstheid paart, die voor een groot deel niets anders dan het grove prat-gaan is op diezelfde koele zelfbeheersching, welke, in zuiveren staat, wellicht het meest sympathieke bestanddeel van den Britschen humor [p.216] vormt. Dìckens h