1 - 10 van 100
De weg tot Luz, den stroom van de Bastan volgende, is zelfs voor rijtuigen redelijk goed, en wat de gezigten aanbelangt, hoewel tusschen de bergen bepaald, niet onaangenaam; men ziet 'er nog al groen. Deze is de groote of postweg naar Barèges. Bij Luz wordt het gezigt zeer schilderachtig; men ziet daar meêr boomen, en de nog aanzienlijke overblijfsels van het oude kasteel St. Marie, op eene op zich zelven staande steile rots, aan het inkomen van een schoon dal gelegen, en de Bastan daar langs stroomende. Dit kasteel was in vroegere tijden eene sterkte, die wegens de Koningen van Frankrijk met krijgsbenden bezet werd; onder anderen ook, om de invallen der Mooren en der Spanjaarden tegentegaan. Het dal van Luz, hoewel juist niet zoo vruchtbaar als dat van Campan, en ook minder uitgestrekt, levert toch ook een zeer aangenaam gezigt op. De Bastan minder woest en snel, omdat de grond gelijker is, stroomt door frissche groene weiden; behalve Luz ziet men 'er verscheidene aardige en digt bij elkanderen gelegen dorpjes. De bergen rondom zijn met houtgewas, en gras of kruiden bedekt, en in het flaauwe verschiet ziet men hier en daar eenige ontzaggelijke toppen boven dezelve uitsteken. Wat verder op in dit dal, vereenigt zich de Bastan met de Gave . Te Luz hielden wij ons een poosje op, om te ontbijten. De herberg behoort aan denzelfden man, bij wien wij te Barèges geweest, en waar wij wel over te vreden waren, hoe zeer alles te Barèges duur is, omdat het land zelf genoegzaam niets oplevert, en alles 'er alzoo van andere plaatsen naar toe moet gebragt worden; de zoon en dochter van dien man, Flamand genaamd, namen hier de zaken zomers alleen waar. Wij huurden hier ook nog een paard voor onzen leidsman, en na het avondmaal, bedden, enz. besteld te hebben, begaven wij ons naar den waterval van Gavarni op reis. Luz schijnt een vrij gnap plaatsje, en is alleraangenaamst gelegen. Van daar af tot bij St. Sauveur, loopt de weg nog door een aangenaam dal, maar dan begint men te klimmen, latende de Gave aan de regterhand. Hier ligt een brug over dien stroom, om naar St. Sauveur, dat men aan den overkant laat liggen, te gaan. Dat plaatsje bestaande uit omtrent 20 huizen, meestal voor de baden dienende, en tegen de steile helling van een groenen berg, hier en daar met boomen en struiken beplant, gelegen, maakt eene allerliefste vertooning. Aan de linkerhand heeft men steile rotsen, tegen welker helling (hoewel het naauwelijks eene helling mag genaamd worden) de smalle weg gemaakt is. St. Sauveur voorbij zijnde is die weg door eenige boomen en struiken, tegen de steilte geplant, aangenaam beschaduwd. Aan de regterzijde hoort men de Gave in een diepte, hier en daar door dikke struiken bedekt, ruisschen. De bergen worden hooger en steiler, en de diepte hoe langer hoe ontzaggelijker. Onze leidsman (dien ik in 't vervolg Antoine zal noemen) waarschuwde ons, dat wij welhaast aan een zeer smal padje moesten komen, daar wij, voorzigtigheidshalve, wel zouden doen om van de paarden aftestappen. Hij noemde dit un mauvais pas. Dit padje was hier en daar geen drie voeten breed, tegen een zeer steile rots boven een afgrijsselijke diepte uitgehouwen. Antoine raadde ons, om niet regts te zien, en ik volgde zijn' raad. De rotsen, waar de Gave bulderende tusschen doorloopt, zijn zoo steil, en staan zoo digt bij elkander, dat men tusschen twee vreesselijke hooge muren zeer eng schijnt ingesloten; de zonnestralen hadden hier thans geen' toegang; het licht valt 'er alleen van boven loodregt in, en dit alles maakt het nog akeliger. De paarden zelfs hoewel aan diergelijke wegen gewoon, gaan met den neus op den grond, en voelen eerst met een soort van huivering, eer zij hunne voeten nederzetten. Men spreekt niet tegen elkander; ieder is hier alleen op zich zelven bedacht; geen wonder, men behoeft slechts te struikelen, om in de diepte te morselen te vallen. En ondertusschen had het gevoel, dat ik in dezen toestand gewaar werd, meêr van het aangename dan van het onaangename. Het grootsche, ongewone, en daar bij het liefelijk schoone, want de rotsen zijn veelal van onderen tot boven met boomen en struiken bedekt, veroorzaken eene streelende bewondering, die de ongerustheid aanmerkelijk verdoofdt. Nog vreemder vertooningen te gemoet ziende, wordt men door nieuwsgierigheid gedurig aangespoord en opgewakkerd; en laten wij ter goeder trouw zijn, de hoogmoed en eerzucht heeft aan alle diergelijke ondernemingen ook vrij wat deel. Dit zoo smalle wegje was maar kort, en wij zetten ons weder te paard; nu was het pad zoo breed, dat wij eene vrouw, die een ezel met wol geladen voor zich heen dreef, voorbij konden laten. Zij ging dit voortbrengsel van hare kudde te Luz verkoopen, en spon gedurig op de plaatsen, waar den weg niet al te smal en moeijelijk was. Een eind wegs verder heeft men een pad, altijd niet veel breeder dan volstrekt noodig is, boven een diepte van 80